Pagina 2 van 2

In dienst bij de duivel

indienstbijdeduivel

Een vrouw die werkt bij een glossy en ontdekt dat haar baas verschrikkelijk is. Nee, we hebben het niet over The Devil Wears Prada, maar over In dienst bij de duivel van schrijfster Naima El Bezaz. Schrijfster Dina moet wat bijverdienen bij een ‘typisch Nederlands vrouwenblad’. De beschrijvingen van El Bezaz zijn soms scherp en grappig, maar moeten vooral choqueren. En dat gaat vervelen.

De vrije geest

Dina werkt als journaliste bij een glossy. Dat moet, want zonder baan is het onmogelijk haar hoge hypotheek te betalen. Maar het journalistieke werk valt tegen en Dina voelt zich niet thuis op de redactie. Ze is namelijk ‘excentriek’, een ‘vrije geest’. Daarnaast is Dina een Marokkaanse, die soms vol verbazing naar de gewoontes van de ‘typisch Nederlandse vrouw’ kijkt. Het werk zou nog draaglijk zijn als haar baas Angela er niet was, die de redactie met ijzeren hand regeert. Dat Dina een redelijk bekende schrijfster is maakt haar bij haar collega’s niet bepaald populair: die begrijpen niet waarom  ze niet gewoon gaat schrijven voor haar levensonderhoud. Dina’s reactie is tekenend: het werken bij de glossy is maar werk, maar ‘boeken schrijven, dat bén ik’. Dina is anders, zo wordt continue benadrukt.

Toegegeven, de positie van de outsider die Dina telkens inneemt levert leuke scènes op. Als ze op bezoek is bij een lezeres ziet Dina twee aparte vazen in de huiskamer staan. Wanneer ze beseft dat het urnen zijn is ze stomverbaasd: waarom zou je in vredesnaam dode mensen op de schoorsteenmantel zetten? Ook het hypercorrecte gedrag van Angela waar het racisme en discriminatie betreft zorgt voor hilarische situaties. Maar helaas is de blik van Dina voor de lezer al snel vermoeiend. Vrijwel iedereen om haar heen wordt een stereotype: zo heeft een onsympathieke advocate een ‘spits muizengezicht’ en haar baas Angela ‘kille blauwe ogen’. Bij ieder nieuw personage krijgen we eerst een ellenlange beschrijving van het uiterlijk om te laten zien wat voor ‘type’ het is:

‘Een mollig, vol gezicht, met groenblauwe ogen die ze samenkneep toen ze me de hand schudde. Haar kapsel in een Vinex-coup geknipt: getrimde, auberginekleurige haren. Ze schoof naast me in haar wijde blouse met zwart-witmotief, driekwart donkerblauwe spijkerbroek, van onder een slag opgerold, en zwartleren laarzen. Onmiskenbaar de Miss Etam-look.’

Dina’s continue commentaar is soms wel grappig, maar toch voornamlijk onsympathiek. Niet omdat het onterecht is – Angela lijkt bijvoorbeeld inderdaad een verschrikkelijk mens – maar omdat ze die kritische blik niet weet toe te passen op zichzelf:

‘Ik […] verzette me tegen die groepsdrang en het massadenken. Ik was een einzelgänger, een excentriekeling. Iemand die anders is dan de anderen. Dat verzin ik niet, dat imago paste ik me zelf ook niet aan.’

Dina is de getormenteerde schrijfster die zich staande moet weten te houden. Zo maakt Dina zichzelf uiteindelijk ook tot een cliché.

Sleutelroman

De titel In dienst bij de duivel en het onderwerp van het boek doen direct denken aan Lauren Weisbergers The Devil Wears Prada. Opvallend is dat dat boek ook door Dina wordt genoemd. Net als in The Devil Wears Prada worden in In dienst bij de duivel referenties naar de bestaande werkelijk continue opgezocht. Dit geeft het idee van authenticiteit, net als het feit dat Dina de namen van BN’ers niet noemt en het blad waar ze werkt geen naam geeft. Dat het boek ook nog eens in de markt is gezet als sleutelroman doet vermoeden dat ‘het blad’ de Vriendin is, waar El Bezaz gewerkt heeft. Net als in de Engelstalige chicklit gaat het om een échte baas die écht verschrikkelijk is en lijkt het boek een soort wraakactie.

De onbarmhartige beschrijvingen en de waarheidsclaim passen bij de reputatie van El Bezaz: met haar boek Vinexvrouwen wist ze een behoorlijke controverse op te roepen, en ook de promotie van In dienst bij de duivel ging met een relletje gepaard. In dienst bij de duivel lijkt het vooral van choqueren en provoceren te moeten hebben. De karakters blijven oppervlakkig en het verhaal hangt losjes aan elkaar. Dat het boek niet eindigt met een verzoening of een oplossing (zoals in The Devil Wears Prada) maar eindigt met een bizarre wraakactie van Dina doet  het verhaal bepaald geen goed. Als lezer verbaas je je over de manier waarop de volwassen vrouwen met elkaar omgaan, maar als de verbazing is weggezakt blijkt het toch vooral vervelend om te lezen over mensen die continu vervelende dingen doen.

Naima El Bezaz, In dienst bij de duivel. Querido, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.

Het smalle pad van de liefde

smallepad

Ontrouw, verleiding, schuldgevoel en het verlangen naar verlossing zijn niet bepaald onderwerpen, die zonder meer  tot een simpel verhaal leiden. Toch weet Vonne van der Meer haar nieuwe roman opvallend luchtig van toon te houden. Het smalle pad van de liefde is een boek dat snel uit is, maar lang blijft hangen.

De roman begint met een aantal eenvoudige gegevens. May en Pieter trekken in de zomer al jaren naar vrienden in de Auvergne. Françoise en Floris hebben zich daar na de dood van hun enige zoon gevestigd. De vakantie verloopt net als anders, tot dochter Dédé besluit een kapel te bouwen voor haar dode broertje. Françoises felle verzet leidt tot vervreemding tussen de echtgenoten en Floris en May groeien naar elkaar toe. Zij krijgen een relatie, die ze echter na de vakantie meteen beëindigen. Opvallend is dat dit slechts de helft van de roman beslaat. De andere helft speelt zich af in Nederland en concentreert zich op May, die worstelt met haar verliefdheid en haar schuldgevoel tegenover Pieter.

Op een heldere en neutrale toon beschrijft Van der Meer haar karakters. Ze doet een aantal rake observaties, bijvoorbeeld wanneer Pieter één van zijn mooiste vakantieherinneringen aan May vertelt:

‘Nu niet zeggen dat ze die witte nevel zo vaak had gezien als ze ’s ochtends vroeg uit het raam keek. Die heiige nevel hoorde bij dit landschap als de heuvels, de rommelige houtwallen, de witte koeien. Ze knikte en legde haar hand op zijn knie. Hoe langer je samen was, des te belangrijker werd het dat je zo nu en dan ook eens iets alleen meemaakte, zonder de ander.’

Naarmate het verhaal vordert komt de nadruk steeds meer op Mays innerlijke leven te liggen. Door haar zomerverhouding met Floris op te geven vindt May dat ze een offer heeft gebracht. Hoewel ze zich depressief voelt, maakt dit offer haar ook trots:

‘Ze heeft haar eigen weefsel intact gelaten en Floris het zijne, en samen hebben ze het grote weefsel heel weten te houden. Dat verbindt hen nu. Ze is trots op hem en zichzelf: ze zijn boven zichzelf uitgestegen. ’

May neemt zich voor om een beter mens te worden. Ze raakt bevriend met een non, Heleen. Zo groeit haar verlangen naar Floris uit tot een groter, religieus verlangen. Bijna terloops  beschrijft Van der Meer  hoe Heleen May leert bidden Juist door deze luchtige toon voorkomt Van der Meer dat de overgang van overspelige vrouw naar ambiërend heilige ongeloofwaardig wordt. Wel doet het feit dat Heleen veel Bijbelverzen en gedichten citeert de tekst geen goed. Het vertraagt de dialogen en maakt van Heleen een stereotype non. Het is duidelijk dat Heleen als een soort spiegel fungeert voor May, maar het personage zelf komt niet echt tot leven. Uiteindelijk lukt het May toch niet om haar verhouding tot Floris in een spiritueel licht te zien en komt ze erachter dat ze wél degelijk in staat is iemand te haten. Ze realiseert zich dat ze zichzelf voor de gek heeft gehouden met haar gedachten over ‘offers’. Dit zelfinzicht leidt uiteindelijk tot de vervulling van haar religieuze verlangen en een soort verlossing: May vindt rust die ze eerder niet had.

Ondanks de thema’s schuld en onschuld is Het smalle pad van de liefde geen drakerige roman over goed en kwaad. In plaats daarvan bevraagt Van der Meer wat schuld of onschuld eigenlijk is, en wat een verlangen naar ‘meer’ precies kan inhouden. Ondanks de ernstige thematiek blijft het verhaal opvallend licht. Een roman die juist door de luchtige subtiliteit van de vragen nog blijft doorzingen lang nadat het boek uit is.

Vonne van der Meer, Het smalle pad van de liefde. Atlas Contact, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.

Interview Chad Harbach

ChadHarbach_beowulf1-889x1024

Voor nummer 30.2 van tijdschrift Vooys interviewde ik samen met Susan Potgieter de Amerikaanse auteur Chad Harbach.

‘From rags to riches’, it happened to American author Chad Harbach. Unemployed, with only a manuscript he had been working on for the last ten years, he suddenly became the next big literary promise of 2011. His novel The Art of Fielding, about a baseball shortstop who all of a sudden is unable to throw the ball, was celebrated by both critics and the general public. These were not Harbach’s first steps into the literary circuit, however. We contact Harbach by an unsteady Skype connection. He is obviously busy, but after a couple of minutes the friendly American is able to chat with us about n+1, his slow writing process, Herman Melville and other matters related to his successful novel.

Het hele interview is hier (als pdf) te lezen. 

 

De meester

de meester

In De meester romantiseert Jolien Janzing het verhaal van een gepassioneerde maar problematische liefde van schrijfster Charlotte Brönte. Samen met haar zus Emily verblijft ze in 1842 korte tijd in een pensionaat in Brussel. In een weelderige stijl verhaalt Janzing hoe Charlotte hopeloos verliefd wordt op haar leraar, de getrouwde Constantin Heger. Parallel aan dit verhaal loopt een andere affaire die de Brusselaars destijds eveneens bezighield: die van koning Leopold met de minderjarige Arcadie.

Voor een boek van nog geen 300 pagina’s lijkt deze opzet tamelijk ambitieus. Maar de wisseling van verhaallijnen blijkt goed te werken. Dankzij de verschillende perspectieven (van onder andere Charlotte, Emily, de koning, de moeder van Arcadie) blijft de vaart in het verhaal. Een minpunt van de gekozen opzet is dat de personages behoorlijk aan de oppervlakte blijven. Wat ook niet helpt is de overheersende stem van de verteller, die om de haverklap inbreuk maakt op het verhaal:

‘Er staat veel te gebeuren in het leven van de twee oudste zussen Brontë. We zullen hen een paar weken aan hun nieuwe omgeving laten wennen voor we hen weer opzoeken. Laat ons de rest van de nacht sowieso maar overslaan en zien hoe de ochtend aanbreekt in Brussel.’

Dit continue aanspreken van de lezer stoort. De aandacht wordt prominent gericht op de verteller, en de personages en het verhaal komen in de schaduw te staan. Daarnaast zijn de vooruitwijzingen die de verteller doet niet spannend maar vooral hinderlijk, met zinnen als:

‘Zal ik alvast een tipje van de sluier oplichten? […] U zult echter moeten wachten om de talrijke geheimen van de Belgische monarch voor u uitgestald te zien, want het heden eist onze aandacht op.’

Janzing is op haar sterkst wanneer ze de vertelstem op de achtergrond laat rusten en gewoon vertelt. Zo zijn de scènes met Henriette, de standsbewuste en opgeblazen moeder van Arcadie, , buitengewoon scherp en grappig. Met een paar zinnen weet Janzing haar doeltreffend weer te geven als een gewiekste, maar ook aandoenlijke vrouw die er alles voor over heeft een paar treden op de sociale ladder te stijgen:

‘Ze loopt de landweg af; hoewel ‘waggelen’ misschien een beter woord is om haar gang te omschrijven, want haar schoentjes zijn te hooggehakt voor deze hobbelige weg en ze is geen goede wandelaar. Henriette is een vrouw die liever op een effen pad door een bloementuin kuiert, binnenshuis dansjes in de rondte doet of languit op een chaise longue met een bordje gebak op haar buik ligt.’

Met haar heldere en vaak ironische stijl weet Janzing vooral de bijpersonen treffend neer te zetten. Helaas komen  de zusjes Brontë minder levendig uit de verf. Het is ook geen makkelijke opgave, een fictief verhaal schrijven over twee literaire grootheden, maar Janzing lijkt voor veilig te kiezen en maakt de geniale Emily en Charlotte vooral saai. Emily is het grootste gedeelte van haar verblijf in Brussel humeurig en zwaarmoedig, terwijl Charlotte pathetisch smacht naar haar Constantin. Zo wordt de affaire van de koning al snel het interessantste gedeelte van het boek.

Show, don’t tell, is een adagium dat aan veel schrijvers wordt meegegeven. Janzing toont echter niet, ze vertelt. Soms werkt het wel, soms werkt het niet: de herhaaldelijke onderbrekingen van de verteller zorgen ervoor dat het verder vlot geschreven boek wat gekunsteld aandoet. Haar beschrijvingen van het negentiende-eeuwse leven in zowel Brussel als Engeland zijn echter krachtig. Het is duidelijk dat Janzing veel van deze periode weet en dat graag toont. Daarin schuilt dan ook tegelijkertijd de zwakte van het boek. Door dicht bij de historische feiten te blijven, krijgt het fictionele aspect van het verhaal te weinig aandacht. Zo laat Janzing de kans onbenut om een gepassioneerd verhaal te schrijven over de als stijf en tuttig bekend staande Charlotte. De werkelijke ontroering blijft daardoor uit.

Jolien Janzing, De meester. Arbeiderspers, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.