Pagina 2 van 2

Interview Chad Harbach

ChadHarbach_beowulf1-889x1024

Voor nummer 30.2 van tijdschrift Vooys interviewde ik samen met Susan Potgieter de Amerikaanse auteur Chad Harbach.

‘From rags to riches’, it happened to American author Chad Harbach. Unemployed, with only a manuscript he had been working on for the last ten years, he suddenly became the next big literary promise of 2011. His novel The Art of Fielding, about a baseball shortstop who all of a sudden is unable to throw the ball, was celebrated by both critics and the general public. These were not Harbach’s first steps into the literary circuit, however. We contact Harbach by an unsteady Skype connection. He is obviously busy, but after a couple of minutes the friendly American is able to chat with us about n+1, his slow writing process, Herman Melville and other matters related to his successful novel.

Het hele interview is hier (als pdf) te lezen. 

 

De meester

de meester

In De meester romantiseert Jolien Janzing het verhaal van een gepassioneerde maar problematische liefde van schrijfster Charlotte Brönte. Samen met haar zus Emily verblijft ze in 1842 korte tijd in een pensionaat in Brussel. In een weelderige stijl verhaalt Janzing hoe Charlotte hopeloos verliefd wordt op haar leraar, de getrouwde Constantin Heger. Parallel aan dit verhaal loopt een andere affaire die de Brusselaars destijds eveneens bezighield: die van koning Leopold met de minderjarige Arcadie.

Voor een boek van nog geen 300 pagina’s lijkt deze opzet tamelijk ambitieus. Maar de wisseling van verhaallijnen blijkt goed te werken. Dankzij de verschillende perspectieven (van onder andere Charlotte, Emily, de koning, de moeder van Arcadie) blijft de vaart in het verhaal. Een minpunt van de gekozen opzet is dat de personages behoorlijk aan de oppervlakte blijven. Wat ook niet helpt is de overheersende stem van de verteller, die om de haverklap inbreuk maakt op het verhaal:

‘Er staat veel te gebeuren in het leven van de twee oudste zussen Brontë. We zullen hen een paar weken aan hun nieuwe omgeving laten wennen voor we hen weer opzoeken. Laat ons de rest van de nacht sowieso maar overslaan en zien hoe de ochtend aanbreekt in Brussel.’

Dit continue aanspreken van de lezer stoort. De aandacht wordt prominent gericht op de verteller, en de personages en het verhaal komen in de schaduw te staan. Daarnaast zijn de vooruitwijzingen die de verteller doet niet spannend maar vooral hinderlijk, met zinnen als:

‘Zal ik alvast een tipje van de sluier oplichten? […] U zult echter moeten wachten om de talrijke geheimen van de Belgische monarch voor u uitgestald te zien, want het heden eist onze aandacht op.’

Janzing is op haar sterkst wanneer ze de vertelstem op de achtergrond laat rusten en gewoon vertelt. Zo zijn de scènes met Henriette, de standsbewuste en opgeblazen moeder van Arcadie, , buitengewoon scherp en grappig. Met een paar zinnen weet Janzing haar doeltreffend weer te geven als een gewiekste, maar ook aandoenlijke vrouw die er alles voor over heeft een paar treden op de sociale ladder te stijgen:

‘Ze loopt de landweg af; hoewel ‘waggelen’ misschien een beter woord is om haar gang te omschrijven, want haar schoentjes zijn te hooggehakt voor deze hobbelige weg en ze is geen goede wandelaar. Henriette is een vrouw die liever op een effen pad door een bloementuin kuiert, binnenshuis dansjes in de rondte doet of languit op een chaise longue met een bordje gebak op haar buik ligt.’

Met haar heldere en vaak ironische stijl weet Janzing vooral de bijpersonen treffend neer te zetten. Helaas komen  de zusjes Brontë minder levendig uit de verf. Het is ook geen makkelijke opgave, een fictief verhaal schrijven over twee literaire grootheden, maar Janzing lijkt voor veilig te kiezen en maakt de geniale Emily en Charlotte vooral saai. Emily is het grootste gedeelte van haar verblijf in Brussel humeurig en zwaarmoedig, terwijl Charlotte pathetisch smacht naar haar Constantin. Zo wordt de affaire van de koning al snel het interessantste gedeelte van het boek.

Show, don’t tell, is een adagium dat aan veel schrijvers wordt meegegeven. Janzing toont echter niet, ze vertelt. Soms werkt het wel, soms werkt het niet: de herhaaldelijke onderbrekingen van de verteller zorgen ervoor dat het verder vlot geschreven boek wat gekunsteld aandoet. Haar beschrijvingen van het negentiende-eeuwse leven in zowel Brussel als Engeland zijn echter krachtig. Het is duidelijk dat Janzing veel van deze periode weet en dat graag toont. Daarin schuilt dan ook tegelijkertijd de zwakte van het boek. Door dicht bij de historische feiten te blijven, krijgt het fictionele aspect van het verhaal te weinig aandacht. Zo laat Janzing de kans onbenut om een gepassioneerd verhaal te schrijven over de als stijf en tuttig bekend staande Charlotte. De werkelijke ontroering blijft daardoor uit.

Jolien Janzing, De meester. Arbeiderspers, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.