Pagina 2 van 2

Poppy en Eddie

poppyeneddie

Met zijn nieuwste boek schreef Herman Brusselmans een ‘semiautobiografie, die hangt en wurgt tussen fantasie en werkelijkheid’, aldus  de achterflap. Inderdaad worden de grenzen tussen feit en fictie in Poppy en Eddie voortdurend opgezocht. We volgen de escapades van de ‘bekende auteur Herman Brusselmans’. Een aaneenschakeling van anekdotes over zijn leven leidt uiteindelijk naar Poppy, zijn ex-vrouw die borstkanker heeft. In Poppy en Eddie probeert Brusselmans dit zowel een plek te geven als te vergeten.

De roman begint in Waarschoot, waar Brusselmans is met zijn minnares met Para, een ‘hoer’ en een ‘zwartjakker’, die hij slechts omwille van de eenzaamheid niet verlaat. Op een gimmickachtige wijze beschrijft hij hun relatie:

‘Ik had nog nooit een schele minnares gehad, dus dat opende perspectieven die naam waardig.’

 

De gimmicks en beledigingen volgen elkaar in hoog tempo op in de rest van de roman. De relatie tussen Para en Herman is snel voorbij, maar Brusselmans ontmoet meerdere vrouwen, woont zo nu en dan een feest bij en rookt vooral talloze sigaretten. Al deze gebeurtenissen worden voorzien van Brusselmans’ ironische en soms hilarische commentaar. Maar tussen de anekdotes door lezen we dat al het sarcasme een masker is om zijn kwetsbaarheid te verbergen: waar de Brusselmans zich echt mee bezig houdt is Poppy. Poppy is zijn ex-vrouw, die borstkanker heeft. Veel komen we niet over haar te weten: we weten alleen dat ze chemokuren ondergaat, en dat ze geen contact meer wil hebben met Herman. Te midden van alle flauwigheden levert dat soms mooie zinnen op:

            ‘Gemis doet pijn, en maakt je huis leeg, en de wereld veel te groot.’

 

De schrijver is eenzaam, en mist zijn ex-vrouw en hun hond, Eddie, die Poppy nog recentelijk ‘onze hond’ had genoemd. Terwijl Brusselmans mensen ontmoet, de deur uitgaat en eenzaam is, blijft vooral de vraag; waar gaan alle losse anekdotes heen? Wanneer zal Brusselmans Poppy en Eddie weer zien?

Tijdens het schrijven reflecteert Brusselmans op zijn eigen schrijverschap. Hij is bezig aan de roman De moord op de poetsvrouw van Hugo Claus, maar kan maar niet verzinnen wie de moord gepleegd heeft. Daarnaast laat Brusselmans anderen zeggen dat zijn boeken immoreel, pornografisch en stilistisch een doosje potjeslatijn zijn. In het laatste hoofdstuk van Poppy en Eddie doet Brusselmans er qua zelfreflectie nog een schepje bovenop. Para bestaat niet, zegt hij, en Brusselmans heeft zijn ex-vrouw en hun hond bijna iedere dag gezien. De roman die hij geschreven heeft is zuiver fictie:

‘[…] in deze roman zou het ik-personage alles doen om de werkelijkheid te omzeilen, en hij zou schrijven dat hij Poppy niet meer zag, terwijl Poppy ondertussen voor de volgende schrijfbeurt een maaltijd voor hem had bereid, mozzarella met tomaten en basilicum en brood, en daarna was ze naar huis gegaan nadat ze ‘Tot morgen’ had gezegd, en ze had Eddie met zich meegenomen, en de volgende dag zag ik Poppy en Eddie weer […].’

Brusselmans schrijft om de realiteit te vergeten. Er zijn immers twee werelden, ‘een die je leeft en een die je schrijft, en de ene is in staat om de andere weg te drukken’. De anekdotes vol hilarische en flauwe grappen, de beledigingen en surrealistische ontmoetingen: de roman blijkt een poging om de werkelijkheid te ontvluchten. De wereld van de fictie, die Brusselmans schrijft, helpt hem tegelijkertijd de werkelijkheid te vergeten en te plaatsen.

Zo is Poppy en Eddie niet alleen een roman over het onstuimige leven van de auteur Herman Brusselmans of een roman over een vrouw met kanker: het is een roman over de kracht van fictie.

Herman Brusselmans, Poppy en Eddie. Uitgeverij Prometheus, 2014.

Deze recensie is geschreven in opdracht van Recensieweb.nl.

 

 

 

 

De trip naar het morgenland

Detripnaarhetmorgenland

Tobias Hirschfelder en zijn geliefde Elf wonen samen met hun zoontje in een woongroep in Noord-Amsterdam. Door een samenloop van omstandigheden komt de commune in het bezit van een kleine botter. Het plan wordt opgevat om hiermee de reis naar het ‘morgenland’ te maken, waar de bewoners van de flat het al zo vaak over hebben gehad. De kleine boot wordt zeewaardig gemaakt en, bemand door twaalf hippies, richting de Middellandse Zee geloodst.

Tobias, Elf en hun zoon Thomas wonen al sinds het begin in de flat, die ze allereerst als ‘gewoon’ gezin bewoonden. Gaandeweg komen er steeds meer kleurrijke figuren in de flat bivakkeren. Met afstand en humor beschrijft Tobias zijn medebewoners:

 ‘Dan was er nog Heinz uit West-Berlijn, die de indruk wekte politiek zó links te zijn dat hij permanent door de Duitse politie in de gaten werd gehouden en om even te kunnen ademen naar Amsterdam was gekomen.’

Naast Heinz zijn er Joris, Ruth, Helga, Peter, Marga, Ronald, Daniëlle en Sarah. De dicht opeengepakte commune bestaat in een sfeer van ‘peace en love’ en gemeenschapszin. Met verve beschrijft Klukhuhn de Amsterdamse hippiescène van de jaren zeventig. De feestjes, het drugsgebruik en ook de ‘magische sfeer’ geven een mooi beeld van een tijd waarin alles mogelijk was. Met dat gevoel navigeert de commune richting de Middellandse Zee. Waar het utopische ‘morgenland’ precies ligt weet niemand, maar Hermann Hesse, de schrijver die het begrip introduceerde, noemde niet voor niets de reis belangrijker dan het doel.

Dat de sfeer van magie niet kan blijven, wordt tijdens de reis steeds duidelijker. Opeengepakt op de kleine boot groeien de frustraties tussen de leden van de woongroep, en ook de erotische spanningen lopen hoog op:. Zo voelt Tobias zich ineens sterk aangetrokken tot Marga:

‘Door de achterdochtige manier waarop Elf naar me keek begreep ik dat de dreigende ontsporing en de voorlopige bezwering daarvan niet onopgemerkt aan haar voorbij waren gegaan. Er was plotseling iets broeierigs in de groep geslopen dat zich niet zo makkelijk meer liet uitbannen, en wat door de kleine ruimte waarin we ons de hele dag bevonden ook moeilijk viel te negeren of te ontlopen.’

Als Tobias en Elf na een paar weken weer terug naar Amsterdam moeten om hun werk aan de universiteit weer op te pakken splitst de woongroep zich op, en groeit allengs steeds verder uit elkaar. In die zin is de reis naar het morgenland symbolisch voor het uiteenvallen van de hippiebeweging: met hoge verwachtingen is de commune aan de reis begonnen, maar praktische bezwaren maken het voortduren ervan onmogelijk. Toch gaat het boek niet zozeer over het uiteenvallen van de commune, als wel over Tobias. Hij vertelt over zijn jeugd tijdens de Tweede Wereldoorlog, zijn korte diensttijd in het leger en zijn carrière als wetenschapper. Uiteindelijk besluit hij met de wens om van zijn leven een boek te maken: ‘een literair boek’.

Op de voorflap van De trip naar het morgenland staat dat het hier om een ‘autobiografische roman’ gaat. De Duitse naam van de verteller Tobias Hirschfelder lijkt inderdaad op die van de auteur, André Klukhuhn, en ook hun levens vertonen grote overeenkomsten. Het verklaart waarom het boek zo nu en dan meer leest als een memoire dan als een roman. Klukhuhn geeft een prachtig tijdsbeeld, maar de personages in De trip naar het morgenland blijven aan de oppervlakte. Elf blijft de vreemde, etherische verschijning die ze op pagina twee al was, het stereotype creatieve meisje:

‘Rondrijdend in de nieuwe 2CV-bestel kwam het voor dat ze voor een groen stoplicht naar links richting aangaf, naar rechts voorsorteerde en rechtdoor optrok als het licht op rood was gesprongen. Ook kwam ze altijd en overal te laat, en steeds later, wat op zich nooit tot ernstige spanningen of problemen leidde, want wat Elf ook verkeerd deed, het was haar bij voorbaat al vergeven.’

Ook de karakters van de woongroepleden worden niet erg uitgediept. Tobias observeert zijn huisgenoten met humor, maar zijn afstandelijke, observerende blik haalt niemand dichtbij. Het uiteenvallen van de woongroep, de relatieproblemen van Tobias en Elf: echt tragisch wil het allemaal niet worden. De trip naar het morgenland is daarom vooral geslaagd als tijdsdocument. De anekdotes die Klukhuhn vertelt zijn vermakelijk, maar de personages die hij schept ontroeren niet. De magische sfeer is zo ook in De trip naar het morgenland snel verdwenen.

André Klukhuhn, De trip naar het morgenland. Uitgeverij Prometheus, 2014.

De recensie is geschreven in opdracht van Recensieweb.nl. 

Het wonderbaarlijke verhaal van Pippa Poezenoortjes

Pippa

Pippa heeft hele bijzondere oortjes. Ze zijn puntig, met een vachtje: het zijn echte poezenoortjes. Maar als Pippa’s moeder per ongeluk een toverspreuk zegt zijn de poezenoortjes ineens verdwenen. Pippa Poezenoortjes heeft nu alleen nog maar twee gaatjes in haar hoofd. Ze besluit op zoek te gaan naar haar verdwenen oren. Want wie is nu Pippa Poezenoortjes zonder de oortjes zelf?

Aan haar moeder belooft Pippa dat ze voor het donker thuis zal zijn. Dat loopt iets anders: Pippa moet een hele reis maken voor ze ook maar iets van haar oren terugziet. Ze komt een tovenaar tegen die heel graag een feestje wil geven, een slang die zijn vrienden wil bevrijden en een barones die met een heleboel katten in een treinstel woont. Een van haar leukste nieuwe kennissen is Herman de Wreker, die uitstervende dieren beschermt:

“’Ik heet Herman,’ zei hij. […] ‘Herman de Wreker, zo noemen ze me. Nou ja, niet iedereen, maar sommigen. Een handjevol. Toch minstens één of twee. Eigenlijk vooral ikzelf.’”

Met zijn bootje vaart Herman over zee om walvissen te redden. Dat lukt nog niet zo aardig, maar met de hulp van Pippa verjagen ze de jagers en redden ze een hele groep walvissen. Steeds weet Pippa haar nieuwe vrienden te helpen, maar van haar oren ziet ze geen spoor.

Met humor en vaart wordt de reis van Pippa beschreven. De karakters van de personages worden door de Glaser met een paar zinnen stevig neergezet. Ook de illustraties in het boek zijn mooi en voegen telkens iets toe aan de gebeurtenissen die Glaser verhaalt. Daar staat tegenover dat sommige verhaalsprongen wel erg snel gaan: zo vindt Pippa binnen vijf minuten de oplossing voor een probleem waar de tovenaar al honderddertig jaar mee rondloopt. Daarnaast zijn er een aantal details die niet helemaal kloppen: zo verkoopt Pippa in één hoofdstuk kleding uit een vuilniszak, het volgende hoofdstuk is dit een rugzak geworden. Het zijn details die het verhaal een onverzorgde indruk geven, terwijl Het wonderbaarlijke verhaal van Pippa Poezenoortjes verder erg vlot leest.

Hoe langer ze van huis is, hoe meer Pippa erachter komt dat ze ook zonder poezenoortjes nog steeds dezelfde Pippa is. Door dapper en slim te zijn weet ze zich uit iedere situatie te redden. Het enige wat Pippa nodig heeft is ‘doorzettingsvermogen en een beetje geluk’, zoals haar vader altijd zegt. De les die Pippa leert – je bent goed zoals je bent – ligt er behoorlijk dik bovenop. Het geeft het verhaal een moralistische draai die niet nodig is: ook zonder de les zo expliciet te benoemen is het verhaal de moeite van het lezen waard. Voor de jonge lezer zal dat overigens geen probleem zijn: het verhaal is spannend en grappig, en het is makkelijk om met Pippa mee te leven. En ook voor de volwassen voorlezer blijft het verhaal grappig en verrassend. Het wonderbaarlijke verhaal van Pippa Poezenoortjes is een aanrader voor jong en oud.

Martine Glaser, Het wonderbaarlijke verhaal van Pippa Poezenoortjes. Illustraties van Eline van Lindenhuizen. Uitgeverij Clavis, 2014.

Deze recensie is geschreven in opdracht van De Leeswelp

‘Rebelleren of conformeren? Modern girls in de meisjesboeken van Top Naeff’

31_34

In Vooys 31.3/5, het themanummer Kind & Literatuur, schreef ik een artikel over de ‘modern girl’ in het werk van Top Naeff. 

In haar artikel onderzoekt Else Boer de verschijning van het literaire personage ‘modern girl’ in de boeken van Top Naeff. Met haar ontstaan in het begin van de twintigste eeuw, wordt deze ‘modern girl’ gekenmerkt door de steeds groter wordende rol die de vrouw in het maatschappelijk leven mag innemen. Ondanks die groter wordende maatschappelijke rol blijft nog steeds de opvatting dat het huwelijk de beste bestemming is. Else Boer laat zien dat de boeken van Naeff hiervan afwijken: hierin blijft het draaien om de vraag of het meisje moet blijven rebelleren of zich uiteindelijk toch moet schikken naar de maatschappelijke conventies.

Het artikel is niet online te lezen, maar het exemplaar van Vooys is hier na te bestellen. 

Interview Thé Tjong-Khing

The Tjong Khing kleur

Samen met Fieneke Jochemsen interviewde ik afgelopen zomer de veelbekroonde illustrator Thé Tjong-Khing. In Vooys 31.3/4 vertelde hij over het maken van kindertekeningen en het belang van erkenning, nu nog steeds.

Thé Tjong-Khing (1933) werd geboren in het voormalige Nederlands-Indië. Thé – zijn achternaam, Tjong is de Chinese familienaam en Khing zijn voornaam – volgde het lyceum en studeerde daarna aan de kunstacademie te Bandung. In 1956 kwam hij naar Nederland en werd hij striptekenaar voor de Toonder Studio’s. Daarnaast tekende hij de stripreeks Arman & Ilva. In 1970 vroeg Miek Diepmann hem om illustraties te maken bij een kinderboek van haar hand. Sindsdien won Thé het Gouden Penseel drie keer. In 2005 werd zijn boek Waar is de taart? bekroond met de Woutertje Pieterse Prijs en later met het Zilveren Penseel. In 2010 ontving hij de Max Velthuijsprijs voor zijn gehele oeuvre.

Thé ontvangt ons in zijn woonkamer. Een beetje verbaasd is hij wel over onze komst: ‘Is kinderliteratuur een onderdeel van de Neerlandistiek?’ We leggen uit dat er steeds meer wetenschappers geïnteresseerd zijn in jeugd- en kinderboeken. ‘Mooi,’ knikt Thé. ‘Er zijn best goeie.’

Het interview is hier online (als pdf) te lezen. 

De man van veel

demanvanveel

De man van veel vertelt het waargebeurde verhaal van Anton de Kom. Het is het verhaal van een vergeten idealist, op het moment dat hij opgenomen in een psychiatrische inrichting al zijn dromen heeft verloren. Het zijn grimmige gegevens waarop Amatmoekrim haar verhaal baseert, de vragen die ze stelt zijn ernstig.

De roman begint op het moment dat drie mannen Anton de Kom op komen halen. Daar was hij al op bedacht: sinds hij in Suriname drie maanden zonder proces is opgesloten is Anton altijd bedacht op ingrijpen van de geheime dienst. Hij wordt nu echter niet opgesloten in een gevangenis, maar in een psychiatrische inrichting. Anton, de lange zwarte idealist uit Suriname, is door zijn eigen vrouw opgegeven voor gedwongen opname.

Waarom Anton, een scherpe intellectueel, zich zo krankzinnig gedraagt wordt in de loop van het boek duidelijk. Als kind heeft hij zich voorgenomen om de wereld te veranderen. Zijn boek Wij slaven van Suriname, moet dat bewerkstelligen. Maar met het verstrijken van de tijd verliest Anton zijn vechtlust. De gruwelen waar hij mee te maken heeft gehad, de weerstand van de Nederlandse regering en de tanende belangstelling voor Suriname zorgen ervoor dat Anton al zijn illusies verliest. Uiteindelijk blijft alleen de vraag over:

Wat is de zin ervan? Tot die vraag alles overheerste en niets anders meer overeind bleef staan. Het wierp een hel, onaards licht op het leven dat hij had opgebouwd: zijn werk, zijn gezin, zijn huwelijk. En in al die zaken die zo belangrijk voor hem waren, stond hij alleen.’

Vakkundig maakt Amatmoekrim de krankzinnigheid van Anton begrijpelijk. Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat niet Anton, maar de wereld waanzinnig is. Hij heeft in zijn leven, zoals de arts zegt, ‘te veel’ van alles meegemaakt.

Tegenover Anton staat zijn vrouw Nel. Zij is in alle opzichten zijn tegenhangster:

‘Het was alsof hij het diapositief van zichzelf ontmoette: een blanke vrouw uit de Hollandse middenklasse die nooit verder dan haar landsgrenzen was geweest. Een blanke vrouw die even beheerst was als hij hartstochtelijk. Iemand die zijn ambities, de kern van zijn karakter, glimlachend als een grote onzinnigheid wegwuifde.’

Nel is, in tegenstelling tot Anton, tevreden. Zij biedt een alternatief voor het leven dat Anton ambieert: niet groots en meeslepend, maar kalm en voldaan. De roman werpt de vraag op wat nu eigenlijk het goede leven is: ‘alles omarmen’, zoals Anton wil, of alles loslaten? Het huwelijk van Anton en Nel lijkt hierop Amatmoekrims antwoord: de beste manier van leven is een compromis tussen beide uitersten.

Met De man van veel belicht Amatmoekrim de geschiedenis van een bijzonder interessant historisch figuur. Toch weet ze het leven van Anton op subtiele wijze te beschrijven. Voor Anton werd zijn leven hem al te overweldigend, maar de lezer wordt de berg aan dramatische gegevens niet te veel – knap, want de biografische gegevens van De Kom liegen er niet om. Nergens lijkt het verhaal te overdreven of te gemaakt. En ondanks de zwarte thema’s die in het boek aan de orde komen ademt De man van veel een sfeer van hoop. Anton is dan wel zijn naïviteit verloren, maar niet zijn visie – dat blijkt ook uit de epiloog, waarin we lezen dat Anton in de Tweede Wereldoorlog een verzetsstrijder wordt. Anton overlijdt in een concentratiekamp in Neugamme. Dat Anton sterft voor zijn idealen laat Amatmoekrim buiten de roman, maar het is een dood die je Anton toewenst: groots en betekenisvol, zoals hij zijn leven wilde leiden.

Karim Amatmoekrim, De man van veel. Uitgeverij Prometheus, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.

De weg naar zee

dewegnaarzee

In het boek van Elke Geurts is de weg naar zee afgebrand. Een pyromaan terroriseert al dagenlang de kust. Ondanks de hittegolf en mogelijke dreiging besluit Tessa met haar dochter naar zee te lopen. Het beklemmende gevoel in de roman komt echter niet van buiten, maar ontstaat geheel in de innerlijke wereld van hoofdpersonage Tessa.

Tessa is met haar vriendin Gina en hun dochters een weekje weg. Nu beide vriendinnen veertig zijn geworden knijpen ze er samen even tussenuit. Hun levens zijn merkwaardig parallel verlopen: ze ‘kenden elkaar al sinds de basisschool, kwamen uit hetzelfde dorp, verhuisden naar dezelfde stad, trouwden in hetzelfde jaar, kregen in hetzelfde jaar een dochter’. In de schijnbaar gemoedelijke gesprekken wordt de rivaliteit tussen beide vrouwen zichtbaar. Dat Gina – slank, nog wél getrouwd, een intelligente dochter – het in alle opzichten wint is voor Tessa duidelijk.

Jaloers is Tessa vooral op Gina’s dochter, Milja. Milja is namelijk ‘normaal’. Haar eigen dochter, Summer, is dat niet. Dat is niet iets wat Tessa snel zal toegeven. Subtiel laat Geurts vallen wat er mis is met Summer:

‘”Ze is inderdaag erg muzikaal, hè?” zei Gina. “Dat zijn ze vaak, hè?”

Tessa zei niets.’

Summer heeft het syndroom van Down. Ze is dus niet de Mini-Me die Tessa zich had gewenst, maar dat weerhoudt Tessa er niet van om haar zo normaal mogelijk op te voeden. Ze doen puzzeltjes om het brein te stimuleren, houden zich aan een streng dieet en Summer ondergaat zelfs plastische chirurgie om haar ogen minder scheef te laten staan. Deze zogenaamde moederliefde levert schrijnende passages op:

‘”Mag ik écht een hotdog?” [….]

“Natuurlijk. Het is vakantie, Summer.”

“Ons lijf heeft toch nooit vakantie?” […]

Het meisje keek haar aan, ze klappertandde, maar Tessa herhaalde net zo lang dat het goed was, dat het allemaal goed was, tot haar dochters kaken niet meer trilden.’

Tessa’s strenge regime geldt niet alleen voor haar dochter, maar ook voor haarzelf. Ze is geobsedeerd door perfectie. Haar eigen uiterlijk, net als dat van anderen, wordt voortdurend kritisch beoordeeld. Tessa is bang van de norm af te wijken. Het is één van de redenen dat Tessa haar Australische man, haar vreemde ‘Aussie’, niet mee wil nemen naar een familiefeestje. Maar vooral Summer wijkt te sterk af van de norm. Tessa’s streven naar perfectie is uiteindelijk wat haar huwelijk de nek omdraait: Dylan vindt Summer wel goed zoals ze is. Voor Tessa is het idee dat Summer niet maakbaar is, onverteerbaar.

Want ondanks de liefde die Tessa voor haar dochter voelt overheerst het gevoel van teleurstelling. Het is Tessa nooit gelukt om haar vader tevreden te stellen met haar simpele baantje als kapster, en ook in het op de wereld zetten van een kleindochter heeft ze nu gefaald. Met Summer is het gevoel van mislukken compleet:

‘Tessa voelde meteen al dat het baby’tje haar iets belangrijks ontnomen had. Iets waar ze al die jaren aan had gewerkt. Ze wist niet wat het was. Alleen dat ze het – hoe dan ook – terug moest zien te krijgen.’

Continue strijden in Tessa dit gevoel van teleurstelling en haar moederliefde met elkaar. Hoeveel houdt ze van Summer? Houdt ze eigenlijk wel echt van Summer? En kan Tessa wel, zoals ze tegen Gina zegt, ‘alleen nog maar gaan genieten’?

Subtiel maar onverbiddelijk werkt Geurts toe naar een huiveringwekkende climax. Hoe verder Tessa loopt, hoe grimmiger De weg naar zee wordt. ‘Laat het gaan’, zegt Tessa herhaaldelijk tegen zichzelf,’ laat het verdomme gaan’. Dat is wat je als lezer voor haar en voor Summer wenst, dat Tessa haar krampachtige levenshouding zal laten gaan. Maar wanneer Tessa dit daadwerkelijk doet, doet ze het op een manier die het zwartgeblakerde landschap eruit laat zien als een sprookjesbos. De weg naar zee is een korte, maar bijzonder knappe roman over de grenzen van het maakbare leven.

Elke Geurts, De weg naar zee. De Bezige Bij, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.  

In dienst bij de duivel

indienstbijdeduivel

Een vrouw die werkt bij een glossy en ontdekt dat haar baas verschrikkelijk is. Nee, we hebben het niet over The Devil Wears Prada, maar over In dienst bij de duivel van schrijfster Naima El Bezaz. Schrijfster Dina moet wat bijverdienen bij een ‘typisch Nederlands vrouwenblad’. De beschrijvingen van El Bezaz zijn soms scherp en grappig, maar moeten vooral choqueren. En dat gaat vervelen.

De vrije geest

Dina werkt als journaliste bij een glossy. Dat moet, want zonder baan is het onmogelijk haar hoge hypotheek te betalen. Maar het journalistieke werk valt tegen en Dina voelt zich niet thuis op de redactie. Ze is namelijk ‘excentriek’, een ‘vrije geest’. Daarnaast is Dina een Marokkaanse, die soms vol verbazing naar de gewoontes van de ‘typisch Nederlandse vrouw’ kijkt. Het werk zou nog draaglijk zijn als haar baas Angela er niet was, die de redactie met ijzeren hand regeert. Dat Dina een redelijk bekende schrijfster is maakt haar bij haar collega’s niet bepaald populair: die begrijpen niet waarom  ze niet gewoon gaat schrijven voor haar levensonderhoud. Dina’s reactie is tekenend: het werken bij de glossy is maar werk, maar ‘boeken schrijven, dat bén ik’. Dina is anders, zo wordt continue benadrukt.

Toegegeven, de positie van de outsider die Dina telkens inneemt levert leuke scènes op. Als ze op bezoek is bij een lezeres ziet Dina twee aparte vazen in de huiskamer staan. Wanneer ze beseft dat het urnen zijn is ze stomverbaasd: waarom zou je in vredesnaam dode mensen op de schoorsteenmantel zetten? Ook het hypercorrecte gedrag van Angela waar het racisme en discriminatie betreft zorgt voor hilarische situaties. Maar helaas is de blik van Dina voor de lezer al snel vermoeiend. Vrijwel iedereen om haar heen wordt een stereotype: zo heeft een onsympathieke advocate een ‘spits muizengezicht’ en haar baas Angela ‘kille blauwe ogen’. Bij ieder nieuw personage krijgen we eerst een ellenlange beschrijving van het uiterlijk om te laten zien wat voor ‘type’ het is:

‘Een mollig, vol gezicht, met groenblauwe ogen die ze samenkneep toen ze me de hand schudde. Haar kapsel in een Vinex-coup geknipt: getrimde, auberginekleurige haren. Ze schoof naast me in haar wijde blouse met zwart-witmotief, driekwart donkerblauwe spijkerbroek, van onder een slag opgerold, en zwartleren laarzen. Onmiskenbaar de Miss Etam-look.’

Dina’s continue commentaar is soms wel grappig, maar toch voornamlijk onsympathiek. Niet omdat het onterecht is – Angela lijkt bijvoorbeeld inderdaad een verschrikkelijk mens – maar omdat ze die kritische blik niet weet toe te passen op zichzelf:

‘Ik […] verzette me tegen die groepsdrang en het massadenken. Ik was een einzelgänger, een excentriekeling. Iemand die anders is dan de anderen. Dat verzin ik niet, dat imago paste ik me zelf ook niet aan.’

Dina is de getormenteerde schrijfster die zich staande moet weten te houden. Zo maakt Dina zichzelf uiteindelijk ook tot een cliché.

Sleutelroman

De titel In dienst bij de duivel en het onderwerp van het boek doen direct denken aan Lauren Weisbergers The Devil Wears Prada. Opvallend is dat dat boek ook door Dina wordt genoemd. Net als in The Devil Wears Prada worden in In dienst bij de duivel referenties naar de bestaande werkelijk continue opgezocht. Dit geeft het idee van authenticiteit, net als het feit dat Dina de namen van BN’ers niet noemt en het blad waar ze werkt geen naam geeft. Dat het boek ook nog eens in de markt is gezet als sleutelroman doet vermoeden dat ‘het blad’ de Vriendin is, waar El Bezaz gewerkt heeft. Net als in de Engelstalige chicklit gaat het om een échte baas die écht verschrikkelijk is en lijkt het boek een soort wraakactie.

De onbarmhartige beschrijvingen en de waarheidsclaim passen bij de reputatie van El Bezaz: met haar boek Vinexvrouwen wist ze een behoorlijke controverse op te roepen, en ook de promotie van In dienst bij de duivel ging met een relletje gepaard. In dienst bij de duivel lijkt het vooral van choqueren en provoceren te moeten hebben. De karakters blijven oppervlakkig en het verhaal hangt losjes aan elkaar. Dat het boek niet eindigt met een verzoening of een oplossing (zoals in The Devil Wears Prada) maar eindigt met een bizarre wraakactie van Dina doet  het verhaal bepaald geen goed. Als lezer verbaas je je over de manier waarop de volwassen vrouwen met elkaar omgaan, maar als de verbazing is weggezakt blijkt het toch vooral vervelend om te lezen over mensen die continu vervelende dingen doen.

Naima El Bezaz, In dienst bij de duivel. Querido, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.

Het smalle pad van de liefde

smallepad

Ontrouw, verleiding, schuldgevoel en het verlangen naar verlossing zijn niet bepaald onderwerpen, die zonder meer  tot een simpel verhaal leiden. Toch weet Vonne van der Meer haar nieuwe roman opvallend luchtig van toon te houden. Het smalle pad van de liefde is een boek dat snel uit is, maar lang blijft hangen.

De roman begint met een aantal eenvoudige gegevens. May en Pieter trekken in de zomer al jaren naar vrienden in de Auvergne. Françoise en Floris hebben zich daar na de dood van hun enige zoon gevestigd. De vakantie verloopt net als anders, tot dochter Dédé besluit een kapel te bouwen voor haar dode broertje. Françoises felle verzet leidt tot vervreemding tussen de echtgenoten en Floris en May groeien naar elkaar toe. Zij krijgen een relatie, die ze echter na de vakantie meteen beëindigen. Opvallend is dat dit slechts de helft van de roman beslaat. De andere helft speelt zich af in Nederland en concentreert zich op May, die worstelt met haar verliefdheid en haar schuldgevoel tegenover Pieter.

Op een heldere en neutrale toon beschrijft Van der Meer haar karakters. Ze doet een aantal rake observaties, bijvoorbeeld wanneer Pieter één van zijn mooiste vakantieherinneringen aan May vertelt:

‘Nu niet zeggen dat ze die witte nevel zo vaak had gezien als ze ’s ochtends vroeg uit het raam keek. Die heiige nevel hoorde bij dit landschap als de heuvels, de rommelige houtwallen, de witte koeien. Ze knikte en legde haar hand op zijn knie. Hoe langer je samen was, des te belangrijker werd het dat je zo nu en dan ook eens iets alleen meemaakte, zonder de ander.’

Naarmate het verhaal vordert komt de nadruk steeds meer op Mays innerlijke leven te liggen. Door haar zomerverhouding met Floris op te geven vindt May dat ze een offer heeft gebracht. Hoewel ze zich depressief voelt, maakt dit offer haar ook trots:

‘Ze heeft haar eigen weefsel intact gelaten en Floris het zijne, en samen hebben ze het grote weefsel heel weten te houden. Dat verbindt hen nu. Ze is trots op hem en zichzelf: ze zijn boven zichzelf uitgestegen. ’

May neemt zich voor om een beter mens te worden. Ze raakt bevriend met een non, Heleen. Zo groeit haar verlangen naar Floris uit tot een groter, religieus verlangen. Bijna terloops  beschrijft Van der Meer  hoe Heleen May leert bidden Juist door deze luchtige toon voorkomt Van der Meer dat de overgang van overspelige vrouw naar ambiërend heilige ongeloofwaardig wordt. Wel doet het feit dat Heleen veel Bijbelverzen en gedichten citeert de tekst geen goed. Het vertraagt de dialogen en maakt van Heleen een stereotype non. Het is duidelijk dat Heleen als een soort spiegel fungeert voor May, maar het personage zelf komt niet echt tot leven. Uiteindelijk lukt het May toch niet om haar verhouding tot Floris in een spiritueel licht te zien en komt ze erachter dat ze wél degelijk in staat is iemand te haten. Ze realiseert zich dat ze zichzelf voor de gek heeft gehouden met haar gedachten over ‘offers’. Dit zelfinzicht leidt uiteindelijk tot de vervulling van haar religieuze verlangen en een soort verlossing: May vindt rust die ze eerder niet had.

Ondanks de thema’s schuld en onschuld is Het smalle pad van de liefde geen drakerige roman over goed en kwaad. In plaats daarvan bevraagt Van der Meer wat schuld of onschuld eigenlijk is, en wat een verlangen naar ‘meer’ precies kan inhouden. Ondanks de ernstige thematiek blijft het verhaal opvallend licht. Een roman die juist door de luchtige subtiliteit van de vragen nog blijft doorzingen lang nadat het boek uit is.

Vonne van der Meer, Het smalle pad van de liefde. Atlas Contact, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.

Interview Chad Harbach

ChadHarbach_beowulf1-889x1024

Voor nummer 30.2 van tijdschrift Vooys interviewde ik samen met Susan Potgieter de Amerikaanse auteur Chad Harbach.

‘From rags to riches’, it happened to American author Chad Harbach. Unemployed, with only a manuscript he had been working on for the last ten years, he suddenly became the next big literary promise of 2011. His novel The Art of Fielding, about a baseball shortstop who all of a sudden is unable to throw the ball, was celebrated by both critics and the general public. These were not Harbach’s first steps into the literary circuit, however. We contact Harbach by an unsteady Skype connection. He is obviously busy, but after a couple of minutes the friendly American is able to chat with us about n+1, his slow writing process, Herman Melville and other matters related to his successful novel.

Het hele interview is hier (als pdf) te lezen. 

 

De meester

de meester

In De meester romantiseert Jolien Janzing het verhaal van een gepassioneerde maar problematische liefde van schrijfster Charlotte Brönte. Samen met haar zus Emily verblijft ze in 1842 korte tijd in een pensionaat in Brussel. In een weelderige stijl verhaalt Janzing hoe Charlotte hopeloos verliefd wordt op haar leraar, de getrouwde Constantin Heger. Parallel aan dit verhaal loopt een andere affaire die de Brusselaars destijds eveneens bezighield: die van koning Leopold met de minderjarige Arcadie.

Voor een boek van nog geen 300 pagina’s lijkt deze opzet tamelijk ambitieus. Maar de wisseling van verhaallijnen blijkt goed te werken. Dankzij de verschillende perspectieven (van onder andere Charlotte, Emily, de koning, de moeder van Arcadie) blijft de vaart in het verhaal. Een minpunt van de gekozen opzet is dat de personages behoorlijk aan de oppervlakte blijven. Wat ook niet helpt is de overheersende stem van de verteller, die om de haverklap inbreuk maakt op het verhaal:

‘Er staat veel te gebeuren in het leven van de twee oudste zussen Brontë. We zullen hen een paar weken aan hun nieuwe omgeving laten wennen voor we hen weer opzoeken. Laat ons de rest van de nacht sowieso maar overslaan en zien hoe de ochtend aanbreekt in Brussel.’

Dit continue aanspreken van de lezer stoort. De aandacht wordt prominent gericht op de verteller, en de personages en het verhaal komen in de schaduw te staan. Daarnaast zijn de vooruitwijzingen die de verteller doet niet spannend maar vooral hinderlijk, met zinnen als:

‘Zal ik alvast een tipje van de sluier oplichten? […] U zult echter moeten wachten om de talrijke geheimen van de Belgische monarch voor u uitgestald te zien, want het heden eist onze aandacht op.’

Janzing is op haar sterkst wanneer ze de vertelstem op de achtergrond laat rusten en gewoon vertelt. Zo zijn de scènes met Henriette, de standsbewuste en opgeblazen moeder van Arcadie, , buitengewoon scherp en grappig. Met een paar zinnen weet Janzing haar doeltreffend weer te geven als een gewiekste, maar ook aandoenlijke vrouw die er alles voor over heeft een paar treden op de sociale ladder te stijgen:

‘Ze loopt de landweg af; hoewel ‘waggelen’ misschien een beter woord is om haar gang te omschrijven, want haar schoentjes zijn te hooggehakt voor deze hobbelige weg en ze is geen goede wandelaar. Henriette is een vrouw die liever op een effen pad door een bloementuin kuiert, binnenshuis dansjes in de rondte doet of languit op een chaise longue met een bordje gebak op haar buik ligt.’

Met haar heldere en vaak ironische stijl weet Janzing vooral de bijpersonen treffend neer te zetten. Helaas komen  de zusjes Brontë minder levendig uit de verf. Het is ook geen makkelijke opgave, een fictief verhaal schrijven over twee literaire grootheden, maar Janzing lijkt voor veilig te kiezen en maakt de geniale Emily en Charlotte vooral saai. Emily is het grootste gedeelte van haar verblijf in Brussel humeurig en zwaarmoedig, terwijl Charlotte pathetisch smacht naar haar Constantin. Zo wordt de affaire van de koning al snel het interessantste gedeelte van het boek.

Show, don’t tell, is een adagium dat aan veel schrijvers wordt meegegeven. Janzing toont echter niet, ze vertelt. Soms werkt het wel, soms werkt het niet: de herhaaldelijke onderbrekingen van de verteller zorgen ervoor dat het verder vlot geschreven boek wat gekunsteld aandoet. Haar beschrijvingen van het negentiende-eeuwse leven in zowel Brussel als Engeland zijn echter krachtig. Het is duidelijk dat Janzing veel van deze periode weet en dat graag toont. Daarin schuilt dan ook tegelijkertijd de zwakte van het boek. Door dicht bij de historische feiten te blijven, krijgt het fictionele aspect van het verhaal te weinig aandacht. Zo laat Janzing de kans onbenut om een gepassioneerd verhaal te schrijven over de als stijf en tuttig bekend staande Charlotte. De werkelijke ontroering blijft daardoor uit.

Jolien Janzing, De meester. Arbeiderspers, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de website van Recensieweb.nl.