Een nieuw boek

Gisteren tekende ik het contract voor mijn tweede roman!

Daar bestaan inmiddels al wat hoofdstukken van. In maart van dit jaar ging ik met mijn aantekeningen naar mijn redacteur, die zei dat ik vooral moest beginnen.⠀

Dat deed ik natuurlijk niet. Want een nieuw project – een nieuw boek – is een behoorlijk karwei. Ineens was ik bang dat het niet zou lukken. Daarnaast is er iets magisch aan een niet-geschreven boek. Een boek dat nog niet is geschreven, is altijd briljant. Het is eloquent, met springlevende personages. Het brengt alle recensenten aan het huilen.

Nu ben ik een paar hoofdstukken verder, en heb ik veel plezier in het schrijven: het is toch leuker om echt iets op papier te zetten dan om er alleen maar aan te denken. En ik merk dat ik heel fijn vind om weer met een langer project bezig te zijn. Ergens in 2023 komt deze nieuwe roman uit.

Als je het leuk vindt om op de hoogte te blijven (en bijvoorbeeld wat dingen te lezen over het schrijfproces) – ik verstuur zo eens in de zoveel tijd een nieuwsbrief over hoe dat gaat. Hier kan je je daarvoor inschrijven.

Vertrouwen op iets wat niet bestaat

Voor Hard//hoofd schreef ik over schrijven: want hoe schrijf je nou eigenlijk een boek? Ik heb stapels vol schrijfadvies verslonden – goed advies, daar niet van – en toch kwam ik bij het schrijven van mijn eerste roman vast te zitten. Daarom schreef ik het advies op dat ik zelf ook wel had willen krijgen.

Al sinds ik kan lezen, weet ik al dat ik zelf verhalen wil schrijven. Iets helemaal verzinnen, wat anderen dan ook voor zich zien – ik kon me niks leukers indenken. Tegelijkertijd vond ik het een nogal mistig carrièrepad. Want schrijver worden, hoe deed je dat?

Op mijn nachtkastje had ik als negenjarige daarom een bundel van Lemniscaat liggen: het Schrijversboek. Daarin vertelden kinderboekenschrijvers hoe ze hun verhalen precies bedachten. Ik las hoe Thea Beckman en Jan Terlouw hun boeken opbouwden en dat Simone van der Vlugt als veertienjarige al een manuscript opstuurde naar een uitgever.

Het Schrijversboek markeerde het begin van een hele reeks adviezen die ik las. Van Stephen King leerde ik dat bijvoeglijk naamwoorden in de meeste gevallen onnodig zijn. Stephen Koch moedigde me aan om vooral te beginnen. Anne Lamott liet me zien dat perfectionisme van de duivel komt, en na een zomerkamp volgde ik het advies van Ellen Deckwitz om een paar yoga-oefeningen te doen na een dag achter de laptop. Andere goede raad: lees veel, schrijf veel. Maak dingen af. Schrijf elke dag, of in ieder geval niet alleen wanneer de inspiratie toeslaat.

“If you want to be a writer, you must do two things above all others: read a lot and write a lot. There’s no way around these two things that I’m aware of, no shortcut.”

Stephen king, on writing

Het is allemaal praktisch advies. Ik ben dol op praktisch advies. Het maakt het hele schimmige schrijfproces een beetje behapbaar. Bij het schrijven van mijn debuutroman pakte ik er regelmatig boeken over het schrijven bij, om mezelf eraan te herinneren dat een boek schrijven geen onmogelijke opgave is. Een scene opbouwen, een verhaallijn uitschrijven: overal is wel een stappenplan voor te vinden.

Mijn advies is dus ook niet zozeer praktisch van aard (of het moet het praktische advies zijn om vooral veel advies van andere schrijvers te lezen). Want een boek schrijven is lastiger dan alleen praktisch advies opvolgen. Waar ik minder op voorbereid was toen ik aan een roman begon, is hoe intuïtief schrijven is.

Lees het volledige artikel op Hard//hoofd.

Een kort verhaal

Ik schreef een verhaal over iemand die een winterslaap wil houden. Misschien moet ik voor de wintermaanden toch eens een daglichtlamp aanschaffen.

Madeleine wordt wakker op een grote slaapzaal. Haar bed moet zijn verplaatst, want ze kan zich deze ruimte niet herinneren. Het lijkt wel een gymzaal: hoge wanden, geen ramen en een gladde, linoleum vloer. Door de hele ruimte staan witte bedden, precies als dat van haar. Er klinkt geruis dat ze eerst niet kan thuisbrengen. Wanneer ze opstaat, realiseert ze zich dat het van de bedden komt: het is de ademhaling van de anderen, die samen met het gezoem van de airconditioning als een zacht ruisen klinkt.

Ze zweet, al kan ze zich niet herinneren dat ze gedroomd heeft. Haar nachtjapon plakt aan haar rug, terwijl ze tussen de bedden doorloopt. Met haar handen raakt ze de spijlen aan het uiteinde van de bedden aan. Het staal is koud tegen haar handen. Ze droomt dit niet, ze is hier echt.

Waarom zou zo’n man een winter lang slapen?

Madeleine is de enige die wakker is, verder worden alle bedden bezet door slapende mensen. Even heeft ze spijt dat ze is opgestaan, maar het valt niet te negeren – ze moet echt plassen. Ze kijkt naar de gezichten van degenen die niet onder de dekens liggen. Ze blijft even stilstaan bij een man met een lange baard – zou die de hele winter blijven groeien? Hij heeft nette Italiaanse loafers naast zijn bed staan. Misschien had hij een moeilijke echtscheiding, ging zijn bedrijf failliet – waarom anders zou zo’n man een winter lang slapen?

Ook in de gang die naar de slaapzaal leidt zijn geen ramen. Wel hangt er een groot bord waarmee de route naar de toiletten wordt aangegeven.

Ze had verwacht dat hier wel beweging zou zijn: artsen, verplegers of onderzoekers. Misschien is het nacht. In het gele schemerlicht is dat moeilijk te zeggen.

Met haar hoofd in haar handen zit ze op het toilet. Voor ze insliep had ze gedacht dat ze wel nieuwsgierig zou zijn wanneer ze voor het eerst wakker zou worden. Dat ze zou willen weten welke dag het was, en hoe laat, wat er in de wereld allemaal gebeurd was. Maar terwijl ze op het toilet zit, kan ze alleen maar denken aan haar bed. Ondanks alle slaap die ze heeft gehad, is ze vooral ontzettend moe.

Boven de wastafel hangt een spiegel. Ze ziet er vreemd uit, ziek, in haar witte nachtjapon. Maar haar haar is langer, haar huid ziet er gezonder uit, al zitten er een paar kreukels in haar linkerwang. Ze neemt een slok water en staart uitgebreid naar haar spiegelbeeld.

Als ze terugloopt door de stille gang, is ze overtuigd. Dit was een uitstekende beslissing.

Ze zag het nieuwsbericht een paar jaar geleden in de krant. In het artikel stond dat er een onderzoeksinstituut was geopend om de effecten van langdurige slaap op het menselijk lichaam te testen. Volgens hoofdonderzoeker Yoshi Tamagoni was een winterslaap technisch gezien mogelijk: ‘Het metabolisme vertraagt tijdens een winterslaap, de lichaamstemperatuur daalt. Dat verschilt niet veel van wat er ’s nachts met ons gebeurt.’ Mensen zouden volgens Tamagoni een winterslaap kunnen houden zoals beren of dassen dat doen: ze slapen het grootste gedeelte van de tijd, maar hebben wakkere momenten. Ze moeten bijvoorbeeld plassen.

Slapende mensen verbruiken bijna niets.

Ze had het stuk gretig gelezen. Ze maakte al jaren grapjes over haar zin in een winterslaap – al had ze toen nog niet voldoende reden om te blijven slapen.

***

Het volledige verhaal is te lezen op Hard//hoofd.

Een tip voor de avonden

Mijn tienerkamer was bekleed met plaatjes uit de ELLE Girl. Als jongere in een dorp met slechts twee kledingwinkels, was dit mijn manier om de nieuwste hypes bij te houden: outfits uit tijdschriften knippen en proberen die hype te reproduceren. Het échte doel was om zelf op termijn trends te zetten.

In het tijdschrift kwamen verschillende it-girls aan het woord, die allemaal zelf bepaalden wat hip werd. De ELLE Girl was een soort leerschool: zoals bij alle kunstvormen moest je eerst de regels leren voor je ze kon breken. Want waarom wilde ik een meeloper zijn als ik ook een trendsetter kon worden?

***

Voor Hard//hoofd schreef ik een tip over meelopen, en over wat ik momenteel als meeloper doe: schaken. Een tip voor de lange avonden die we thuis doorbrengen.

Klimaatvragen

Een van de illustraties bij het artikel door Hanneke Rozemuller

In januari vond de klimaatweek plaats. Al ruim voor de klimaatweek dacht ik met Willemijn Kranendonk na over onze klimaatvragen. De briefwisseling die we daarover schreven, is op Hard//hoofd gepubliceerd.

Ik houd nog steeds van onkruid. Ik vind het een geruststellende gedachte dat boomwortels asfalt kunnen breken, dat viooltjes barsten veroorzaken in baksteen. Ik vind het hoopvol dat er langs de muur van mijn flat een digitalis groeit, op een reepje grond dat nog geen centimeter breed is.

Verandering kan klein beginnen.

Mijn boek is er!

Op 7 januari kwam mijn boek Ik wacht hier uit. Na tweeënhalf jaar is het eindelijk zo ver: het verhaal is de wereld in!

Om het te vieren mocht ik langskomen bij Prometheus om het boek op te halen en werd ik in boekhandel Broese geïnterviewd. En natuurlijk was er taart. Desondanks is het nog steeds een beetje onwerkelijk dat mijn eigen boek nu bij mensen in de kast kan staan.

Wanneer de boekhandels opengaan ligt het in de winkel, maar in je lokale boekhandel is het ook al te bestellen. Bestellen kan ook via Bazarow.

Nog niet overtuigd? Een hoofdstuk uit Ik wacht hier is als voorpublicatie verschenen op de site van Hard//hoofd.

Filmtrialoog: King of the Belgians

Voor Hard//hoofd keek ik de film King of the Belgians: een film waarin waarin Wallonië zich afsplitst van Vlaanderen op het moment dat de Belgische koning Nicolaas III op staatsbezoek in Turkije is. Een documentairemaker legt de pogingen van de koning om terug te keren naar zijn land vast, resulterend in deze bijzondere roadmovie.

Met Rosanna Baas en Michal van der Toorn besprak ik de film. Spoiler: het was een goede film én een goed gesprek.

De filmtrialoog is hier te lezen.

In de krant (in het Frans)

Het essay dat ik over hoop schreef voor De Standaard is vertaald! Het is inmiddels in het Frans te lezen in de Courrier Internationale (mocht je willen bijspijkeren).

De vertaling kwam online op het moment dat ik de krant uit Vlaanderen binnen kreeg – uitstekende timing, dus.

Crossing Border

Op zondag 8 november treed ik op op het Crossing Border Festival. Dat voelt wel bijzonder: een paar jaar geleden stond ik zelf nog in het publiek, te dromen van een literaire carrière.

Deze keer is er geen publiek, maar ik mag voordragen vanuit een studio. Vanwege corona is het programmaonderdeel namelijk helemaal online en helemaal gratis. Om 19:00 ben ik aan het woord, maar in het programma zitten veel interessante schrijvers, interviews en dat alles is is dus vanuit de huiskamer te bekijken. Een link naar het programma vind je hier.

Hoop, het ding met veren

Van de tweede (gedeeltelijke) lockdown moest ik best even slikken. Vandaar dat ik voor de Vlaamse krant De Standaard nadacht over hoop. Hoe moet je eigenlijk hoop houden, wanneer je je niet zo hoopvol voelt? En is hopen op een betere wereld naïef of broodnodig?

Ik dook in de wereld van de christelijke filosofie, waarin hoop een belangrijke deugd is, en in die van de oude Grieken – voor hen was hopen iets wat je alleen deed als je geen plan kon maken. En wat zegt die mythe van Pandora ons precies?

Ik weet niet of ik een definitief antwoord heb op mijn vragen over hoop, maar de illustratie van Trui Chielens was het schrijven al waard.

Het artikel is hier te lezen, gratis als je een account aanmaakt.

De verhalen van mijn 100-jarige oma

Het boekje ter ere van oma’s honderdste verjaardag

Op 16 oktober is mijn oma 100 jaar geworden. Al ver daarvoor was ik bezig met het vastleggen van de verhalen uit haar leven: als meisje heeft ze nog koeien vanaf het Centraal Station, over de Dam, naar de boerderij in het Vondelpark gedreven. Ze heeft als twintigjarige de oorlog meegemaakt en als predikantsvrouw door heel Nederland gewoond. Tot mijn achttiende woonde ik met haar in een huis en kon ik die verhalen van haar horen.

Een tijd geleden heb ik haar een aantal keer geïnterviewd. Die interviews heb ik uitgewerkt tot dit boekje, met verhalen van oma in haar eigen woorden – zodat we die ook nog kunnen lezen als zij ze niet meer kan vertellen.

Op haar verjaardag was het idee de boekjes uit te delen aan alle genodigden voor haar verjaardagsfeest. Dat feest kon vanwege de gedeeltelijke lockdown niet doorgaan, maar gelukkig kon ik wel een exemplaar aan mijn oma geven. Ze was ontroerd en blij. Ik ook. Via de post komen de verhalen nu alsnog bij haar familie, vrienden en kennissen terecht.

Ik bezit dus ik ben

Voor de Vlaamse krant De Standaard schreef ik over mijn opruim- en verzamelwoede, die gek genoeg naast elkaar kunnen bestaan.

Sinds de lockdown vraag ik me steeds meer af wat spullen nu eigenlijk voor me betekenen. Moet ik een minimalist worden? Of moet ik juist het maximalisme omarmen? En waarom is spullen erven zo emotioneel? Hoe vormen spullen een onderdeel van onze identiteit?

Om antwoord te geven op deze vragen schreef ik dus een essay. Dat is hier te lezen, gratis als je een account aanmaakt.

TIP: Bereken je deadline

Mijn boek is af. Al twee jaar werk ik aan een roman, en eindelijk is de laatste punt gezet en kan het worden uitgegeven. Als mensen vragen hoe ik dat nou precies voor elkaar heb gekregen, praten we al snel over deadlines. Zonder einddatum kan iets eeuwig duren. De meeste mensen die ik spreek snakken naar een eindpunt voor hun eigen project – een eindpunt dat bij voorkeur iemand anders stelt, want een zelfgekozen moment kan altijd uitgesteld worden. Starten, volhouden: zonder deadline is het bijna onmogelijk. Gelukkig is er altijd een deadline, en – tip! – kan je die ook nog eens zelf berekenen.

***

Voor Hard//hoofd schreef ik een tip over deadlines – niet het enige wat belangrijk was bij het afronden van een boek, maar wél goed om af en toe bij stil te staan. Mijn tip is hier te lezen.

De Beentjes van Sint Hildegard

Voor Hard//hoofd keek ik naar de film De Beentjes van Sint Hildegard. Een aanrader vanwege het sympathieke verhaal en vooral vanwege het Twents – Eva, Marthe en ik kwamen tot de conclusie dat we iedereen in het dialect gewoon heel sympathiek vinden klinken. Verder praten we over symboliek, de originele Tsjechische film en patronen in relaties. De trialoog is hier te lezen.

TIP: Verander je perspectief

Hoewel ik docent Nederlands ben en dol ben op lezen, weet ik ook wel dat lezen de wereld niet per se verandert. Maar het hélpt wel.

Zoals schrijfster Angie Thomas zegt: ‘I’ve always seen writing as a form of activism. If nothing else, books give us a glimpse into lives that we may not have known about before; they can promote empathy.’

Voor Hard//hoofd schreef ik een TIP over de boeken die precies dat bij mij gedaan hebben, en welke boeken mijn perspectief – op de wereld, en op mijzelf – veranderden.

Het staat in de sterren geschreven – het begrijpen is een ander verhaal

Jacob Whittaker – Norrie Paramour Strings and Orchestra The Zodiac Suite

De laatste tijd lees ik veel advies: columns over thuiswerken, tips voor een home workout. Alles om een beetje houvast te vinden in de brave new world waar we ineens zijn ingeworpen. Er was één advies dat me deze week boven alles bijbleef. Het kwam van Madame Clairevoyant, de horoscoopschrijfster van The Cut: ‘Don’t be too hard on yourself if you’re not able to outrun or out-think your emotions. Sometimes, you just have to sit with them.’ Dit advies heb ik natuurlijk al eerder gezien. Het is ook niet revolutionair – en toch voelde het alsof het speciaal voor mij geschreven was.

Het is vreemder als je nog nooit je horoscoop hebt gelezen, dan wanneer je hem wekelijks checkt.

Ik geloof niet in astrologie. Desondanks kijk ik wat er over mijn astrologische teken wordt gezegd. Zo bezoek ik wekelijks de site van Rob Breszy, Freewill Astrology, om te kijken wat de week voor me in petto heeft. Ik kan inmiddels niet meer volhouden dat ik dat alleen maar voor de lol doe, maar wat zoek ik er dan?

Ik ben niet de enige die tegenwoordig de interpretatie van de sterren interessant vindt. Jihane Chaara schreef op Hard//hoofd een tip om meer te zweven, je horoscoop te lezen en je rationele kant eens te laten voor wat die is. We passen in een mondiale trend: millenials en Gen X’ers die de astrologie weer opzoeken. Het is vreemder als je nog nooit je horoscoop hebt gelezen, dan wanneer je hem wekelijks checkt. Vrijwel iedereen kent zijn sterrenbeeld: is het niet via een horoscoop, dan wel via memes of posts op Instagram.

***

Voor Hard/hoofd dacht ik na over waarom ik eigenlijk mijn horoscoop lees. Het hele artikel is hier te lezen.

Virusverhalen

Ik heb het soms best lastig met het thuiszitten, maar lezen helpt. Schrijven ook. Op de site van Virusverhalen zijn verschillende korte verhalen en gedichten te lezen, die gaan over waar we allemaal mee worstelen – angst, eenzaamheid, verveling. Ook ik schreef een verhaal, dat hier is te lezen.

Rebel, rebel

Vorige week kwam de bundel Rebel, rebel bij uitgeverij Prometheus uit. In de bundel staan verhalen van elf jonge schrijvers, allemaal rond het boekenweekthema Rebellen en dwarsdenkers. Ik schreef het verhaal ‘Zomerverlof’, over drie pubermeisjes in een instelling die een hond vinden in het bos. In de Volkskrant van 14 maart stond daarover onder andere dit: ‘De verhalen van Kuşçu en Boer springen eruit vanwege hun stijl, die gebalanceerd en verzorgd is; allesbehalve rebels.’

Roulette

Voor Hard//hoofd schreef ik een verhaal over een spelletjesavond gone wrong. Echt gezellig wordt het dus niet, maar spelletjesavonden zijn er dan ook niet voor de gezelligheid. Dit is menens.

De eerste minuten kijken de vier vrouwen naar de revolver op de terrastafel, dan wil Valerie hem vasthouden. Carmen loopt door de tuin, luistert of de buren buiten zitten en Angeline vraagt: ‘Maar hoe kóm je eraan?’

Ava haalt haar schouders op. ‘Gewoon, online.’ 

Een straaltje zweet loopt over haar rug. Er is al drie weken een hittegolf gaande, de langste sinds de jaren zeventig, hoorde ze een nieuwslezer zeggen. Het is wachten op onweer. Vanavond moet het losbarsten. 

‘Via het dark web natuurlijk.’ Valerie weegt het wapen in haar hand alsof ze er dagelijks een vasthoudt. ‘Licht dingetje. Is dit zo’n handtasmodel?’

‘Een handtasmodel?’ Ava’s stem is hoger dan normaal. Ze kan er niets aan doen: wanneer ze Carmen, Angeline of Valerie ziet, gaat haar stem automatisch omhoog. Net als vroeger, toen ze na colleges koffie en wijn dronken en eerder gilden dan praatten.

‘Voor vrouwen die zich ’s avonds onveilig voelen. Heb je hem in je nachtkastje liggen?’ 

‘Nee. Ik bewaar hem in de keuken, naast de pannenlappen.’ Ze moeten alle vier lachen om dat beeld. 

‘Geef eens.’ Carmen pakt het wapen voorzichtig over, gaat langzaam met haar vingers langs de trekker. ‘Dit is echt zo’n filmmodel. Smith & Wesson. Een cowboyding. Robin wilde er zo een voor zijn verjaardag, toen moest Denny natuurlijk ook.’

‘God, ik weet niet hoe je het doet,’ zegt Valerie. ‘Ik zou nergens zijn zonder nanny.’

Ava glimlacht. Dezelfde gesprekken als altijd, maar nu met versnelde hartslag, op scherp gestelde zintuigen en een revolver waar geen van hen haar ogen vanaf kan houden. Het is het wapen zelf dat perverteert, je uitnodigt om ernaar te kijken, ermee te spelen. 

‘Wil je dat ding echt gebruiken?’ Angeline fronst. 

‘Als er een wapen op tafel ligt, moet het ook afgaan,’ zegt Ava. ‘Weet je nog? Introductie tot theaterwetenschap. Dat is zo’n beetje het enige wat ik me herinner van onze studie.’

Carmen legt de revolver weer neer. Alle drie de vrouwen kijken naar Ava. Ze haalt de kogel uit het voorste vakje van haar tas.

***

Het hele verhaal is op de site van Hard//hoofd te lezen.

Een gesprek over Bombshell

Voor Hard//hoofd keek ik samen met Eva van den Boogaard en Naomí Combrink de film Bombshell. Goed geschreven, goed geacteerd, spannend – een aanrader dus. Ook een film waarin de voorvechtsters van de vrouwenzaak zich nooit feminist zouden noemen, wat mij betreft één van de interessantste punten aan de film. Maar daardoor is het ook een aanrader met een asterisk: over dit onderwerp zijn nog lang niet alle films gemaakt.

De trialoog kan je hier lezen.

Word (een klein beetje) volwassen

Op tijd komen was acht jaar geleden niet een van mijn sterkste punten. Als ik ergens had afgesproken, kon je erop rekenen dat ik tien minuten te laat zou komen. Ik reageerde dagen later op berichtjes en e-mails of soms las ik ze helemaal niet. Met enige regelmaat verloor ik mijn sleutels. Mijn beste recept maakte ik met soepgroentemix. 

Om eerlijk te zijn vond ik dit zelf jarenlang niet zo’n probleem. Ik was niet totáál onverantwoordelijk, en de meeste van mijn tekortkomingen kon ik wel afschrijven als charmant of verstrooid. Ze hoorden bij een goed studentenleven, toch? En ik haalde mijn vakken, al wist ik vaak tot twee weken van tevoren niet of ik een tentamen had of een paper moest inleveren. Het leven was één groot feest, daar moest je niet te krampachtig over doen met agenda’s en ander volwassen arsenaal. 

Mijn persoonlijkheid zal er iets mee te maken hebben, maar er is nog een andere verklaring voor mijn gestruikel richting een volwassen bestaan. Ik hoor bij de generatie millennials die het woord adulting heeft uitgevonden, door het Urban Dictionary gedefinieerd als ‘to carry out one or more of the duties and responsibilities expected of fully developed individuals’. Het woord wordt uitsluitend gebruikt door mensen die minder dan 50% van de tijd adulten. Als je het moet benoemen, is het immers bijzonder gedrag. Want volwassen worden, waarom zou je? Volwassenheid associeerde ik (en generatiegenoten met mij) met saaie banen, onbetaalbare huizen en gemeentebelastingen. Niet per se de leukste zaken om mee bezig te zijn. Het einde van de zorgeloosheid en het plezier kon ik net zo goed even uitstellen. 

Het hele artikel verscheen op de site van Hard//hoofd en is hier te lezen.


Leren om het leren

Nooit zie ik leerlingen zo ingespannen lezen als tijdens een toetsweek. Met gefronste wenkbrauwen en markers in de aanslag zitten ze achter hun tafels. Dit is het moment waar het om draait, het moment waarvoor ze geoefend hebben: de toets.

Een meisje zucht als ik haar antwoordblad inneem. ‘Ik snapte echt niks van die vragen.’
‘Gelukkig,’ zeg ik, ’want je leert niet alleen voor de toets, maar ook voor jezelf.’
Ze kijkt me glazig aan. Dat kan ik haar niet kwalijk nemen: het is een blik die ik zelf ook regelmatig de wereld in heb gestuurd.

‘Leren voor jezelf’ was een uitspraak die ik vaak tegenkwam, zowel op de middelbare school als op de universiteit. Je bereidde je immers voor op ‘een leven lang leren’. Dat vond ik niet direct aantrekkelijk klinken – ik associeerde leren vooral met toetsen en tentamens. Je kon het goed doen, en dan haalde je een goed cijfer. Goed leren deed ik toch vooral vanwege het cijfer dat eraan vast zat. 

Tot Youtube.

Voor tips om te blijven leren, lees het artikel op Hard//hoofd.

Een pleidooi voor de comfortzone

Al mijn hele leven hoor ik dat buiten je comfortzone treden een voorwaarde is voor een gelukkig en geslaagd leven. Ik kom op Instagram geregeld uitspraken tegen als ‘doe elke dag iets wat je angst aanjaagt’ en ‘a comfort zone is a beautiful place, but nothing grows there’. 

Toch vraag ik me af of dat daadwerkelijk zo is. Waarom zou je niet kunnen groeien door de dingen te doen die je leuk vindt en waar je goed in bent? Daarom schreef ik voor De Standaard een pleidooi voor de comfortzone. (Geen account van De Standaard? Het is ook via Blendle te lezen.)

Dodenvloten en boilersuits

Het is 2419. Voor u ligt het lang verloren gewaande archief van de kolonisatie van Antarctica. In een verzameling brieven, korte verhalen, essays en andere documenten spreken de eerste bewoners van het laatste continent eindelijk zelf.

Voor de Groene Amsterdammer schreef ik een verhaal over Antarctica. Het speelt zich af in Yagan Town, in 2160 en gaat over een grungeband.

Het is onderdeel van Project Antarctica, waarin schrijvers onderzoeken hoe het continent in de toekomst gekoloniseerd zou kunnen zijn. Het toekomstige universum is al vormgegeven door andere schrijvers die een verhaal hebben geschreven, en in datzelfde fictieve universum speelt mijn verhaal zich af, en levert het een bijdrage. Zo ontstaat op op de site een heel archief met verhalen uit de toekomst.

Het verhaal, een reportage van de journalist Brad Taylor, is hier te lezen.

TIP: Geef het voordeel van de twijfel

Voor de Hard//hoofdrubriek TIP schreef ik de volgende tip, over vreemden én bekenden het voordeel van de twijfel geven.

Toen ik zestien was, ging ik samen met vriendinnen – avontuurlijk als we waren – op vakantie naar Antwerpen. Bij aankomst werd ik op het station aangesproken: een wat sjofele vrouw had geen geld meer voor een kaartje, had ik misschien twee euro voor haar? Ik pakte mijn portemonnee en gaf haar het geld. Na afloop werd ik door mijn vriendinnen aan mijn arm getrokken. Ik wist toch wel ze dat geld niet echt zou gebruiken voor een kaartje? Met een knoop in mijn maag zag ik de vrouw naar de volgende voorbijganger lopen. Ik zou me niet meer zo laten beetnemen, besloot ik. Vanaf nu zou ik minder naïef zijn.

Dat is inmiddels meer dan tien jaar geleden. Om naïviteit te vermijden, besloot ik dat cynisme een adequate reactie op de wereld was. Maar het continu bevragen van mensen en hun beweegredenen is vermoeiend. Daarnaast word je er niet per se een leuker mens van – want wat als iemand écht een treinkaartje moet kopen? Vandaar dat ik nu weer bezig ben met een omgekeerde beweging: die van het voordeel van de twijfel.

Het voordeel van de twijfel heeft me al een aantal aangename situaties opgeleverd. Zoals die keer dat ik mijn telefoon aan een wildvreemde gaf die vroeg of hij even mocht bellen, zijn eigen telefoon was leeg en hij wist niet meer naar welk adres hij op zoek was. Ik gaf hem de telefoon – in de startblokken voor het geval hij er mee weg zou rennen. Dat deed hij niet. Hij belde en zei precies wat hij tegen mij had gezegd. Ik kreeg mijn telefoon direct weer terug.
Of die keer dat een twee guitige leerlingen tegen me zeiden: ‘Als u ons nou naast elkaar laat zitten, dan beloven we dat we écht heel hard aan het werk gaan.’ Aan het einde van de les hadden ze alle opdrachten gemaakt. Beide situaties lieten me vrolijker achter.

Natuurlijk is ongebreidelde naïviteit niet per se aan te raden. Er zijn genoeg Nigeriaanse prinsen die daar graag misbruik van zouden maken, en domme dingen doen is met een menslievend sausje niet minder dom. Daarnaast blijft anderen het voordeel van de twijfel geven een risico: je kunt altijd teleurgesteld raken.
Het is een risico dat de moeite waard is. Abigail Disney, erfgename van, zei in een interview met The Cut dat ze nooit bang is om opgelicht te worden: ‘I can’t be an idiot, but I would rather be duped from time to time — and pay that price — than become a person who lives in mistrust.’ Advies om naar te leven: wees geen idioot, maar wees ook niet te bang om opgelicht te worden.

De laatste keer dat ik op station Antwerpen-Centraal was, vroeg weer iemand me om geld voor een kaartje. Het was een man in pak, wat me deed twijfelen, want van meerdere tv-series heb ik geleerd dat mannen in pak rijk of crimineel zijn, of beide. Ik gaf hem het geld. Toevallig liepen we dezelfde kant op – ik naar het spoor, de man in een rechte lijn naar de ticketautomaat.
Vraag jezelf dus af en toe af wat het ergste is wat er gebeurt als je iets of iemand het voordeel van de twijfel geeft. Misschien kost het je twee euro. Misschien levert het je een overvloed aan vertrouwen in de mensheid op.

Gezonde School, gezonde kinderen?

Uit onderzoek van het CBS blijkt dat rond de 12 procent van de Nederlandse kinderen tussen twee en negen jaar overgewicht heeft. Geen wonder dat steeds meer basisscholen het predicaat ‘Gezonde School’ willen dragen, en de focus leggen op beweging en een uitgebalanceerd dieet. Tegelijkertijd wordt bij steeds jongere kinderen anorexia geconstateerd. De ziekte duikt zelfs al op bij zeven- of achtjarigen. Heeft die grote aandacht voor gezondheid op de basisschool misschien een onbedoeld bijeffect? Kan de focus op gezondheid eetstoornissen in de hand werken?

Voor OneWorld schreef ik hierover een artikel, dat hier volledig te lezen is.

De auteur is dood, zijn vrouw ook

Als ik moe ben, maar het nog te vroeg vind om naar bed te gaan, herkijk ik graag oude series. Op een van die avonden zette ik Gossip Girl aan, en voor de goede orde begon ik bij aflevering één.

In de aflevering zit een scène die ik compleet vergeten was. Het personage van Ed Westwick, Chuck, vergrijpt zich aan een jonger meisje. Het is een scène die op onheilspellende wijze de beschuldigingen spiegelt die later tegen Westwick zouden worden geuit. Ik voel me ongemakkelijk als ik de scène kijk, en ik ben niet de enige. Het voelt alsof ik ergens medeplichtig aan ben.

Maar is dat zo? Zijn we ergens medeplichtig aan als we daders een podium geven – voor hun verhaal, voor hun kunst? Staan maker en werk los van elkaar? Wat is de relatie tussen kunst en kunstenaar, product en maker?

Geen uitgever wilde het uitgeven, tot hij negen jaar later alsnog opgepakt werd voor doodslag

Een boek dat niet zonder die vragen gelezen kan worden – en dat mij mogelijk wat antwoorden kan bieden – is Woensdag gehaktdag van Richard Klinkhamer, een boek over doodslag, geschreven door de dader zelf. Waarom is dat boek eigenlijk uitgegeven? Zijn Klinkhamers daad en zijn boek los te zien van elkaar, of juist innig met elkaar verbonden?

De dood van de vrouw
In de winter van 1991 verdween Hannelore Godfrinon, de vrouw van Richard Klinkhamer. Klinkhamer was direct een verdachte in de zaak. De politie doorzocht zijn woning en nam vleesmessen, een hakbijl en een gehaktmolen in beslag. Een theorie was dat hij zijn vrouw had vermalen in de molen en daarna aan de vogels in de tuin had gevoerd. Die vermoedens konden niet hard gemaakt worden, en Klinkhamer ging vrijuit. Het leverde hem wel inspiratie op: Klinkhamer begon in de jaren na Hannelores verdwijning aan het boek Woensdag gehaktdag, waarin hij het doden van zijn vrouw beschreef.

Geen uitgever wilde het uitgeven, tot hij negen jaar later alsnog opgepakt werd voor doodslag. Klinkhamer had zijn vrouw niet vermalen, maar begraven in de achtertuin. Toen hij zijn huis verkocht en de nieuwe bewoners de tuin onder handen namen, kwamen ze haar stoffelijke resten tegen. Klinkhamer verklaarde dat hij zijn vrouw met een breekijzer de schedel had ingeslagen, nadat ze hem het huis uit had gezet. In 2007 kwam dan eindelijk het boek Woensdag gehaktdag uit, bij uitgeverij Just Publishers, nadat Klinkhamer was veroordeeld en zijn straf had uitgezeten. In 2016 pleegt hij zelfmoord.

Woensdag gehaktdag is niet alleen het werk ván een dader is, het gaat ook nog eens expliciet over het gepleegde misdrijf. De vraagt dringt zich op waarom dit verhaal de moeite van het delen waard is.

*

Dit essay schreef ik voor Hard//hoofd, en is daar in volledige vorm te lezen.

Instagrampoëzie

Op Instagram verschijnen er regelmatig gedichten in mijn feed. Of nou ja, gedichten – het lijken eerder zelfhulpteksten in een literair jasje. Op het toilet scroll ik dagelijks door teksten als ‘where you are. / is not who you are. / – circumstances’ van Nayyirah Waheed, ‘speak only good things into existence’ van Alison Malee, of, van de bekendste Instagram poetRupi Kaur: ‘our backs / tell stories / no books have / the spine to / carry / women of colour’. De manier waarop ik de teksten lees is op z’n zachtst gezegd nogal ambivalent. Mijn ogen rollen soms bijna uit mijn oogkassen door de clichés die worden opgelepeld: houd van jezelf, accepteer je tekortkomingen, stop je twijfels niet weg. Tegelijkertijd is het natuurlijk mijn eigen schuld dat ik de Instagram poets voorgeschoteld krijg. Ik blijf immers scrollen, en waar je naar kijkt, is wat je krijgt. Ondanks mijn scepsis vind ik sommige gedichten namelijk best mooi, sterker nog: inspirerend. Want ja, ik wil inderdaad mijn tekortkomingen accepteren en me minder druk maken over onbelangrijke dingen. Een herinnering daaraan, vooral wanneer die mooi verwoord is, vind ik niet onprettig.

Ik ben niet de enige. De bundel Milk and honey van Rupi Kaur werd in een jaar tijd meer dan een miljoen keer verkocht. Misschien is Instagrampoezië een nieuw genre dat ik moet omarmen. Er bestaat immers geen ander platform dat jongeren zó enthousiast poëzie laat lezen.

Eerlijk en authentiek
De reden dat zoveel mensen de poëzie lezen, heeft niet zozeer te maken met een vernieuwend vocabulaire of een verrassende vorm van de gedichten – dingen die tijdens mijn studie Nederlands steevast werden uitgelicht. In plaats daarvan worden de gedichten gelezen om hun herkenbaarheid. Het taalgebruik is bijzonder eenvoudig. De vorm wordt vooral bepaald door enjambementen.
Wat me opvalt wanneer ik door de gedichten scroll, is dat het vaak gaat om een ‘waarheid’ die de auteur heeft ontdekt. Dat wordt bevestigd in de comments: die variëren van ‘beautiful’, naar ‘so true’, of ‘needed this reminder’. De waarde van de Instagrampoëzie ligt niet zozeer in poëtische vernieuwing, als wel in het benoemen van de persoonlijke ontdekkingen van de auteur. De voorwaarden voor een goed Instagramgedicht zijn eerlijkheid en authenticiteit – de lezer moet zich kunnen herkennen in het gedicht. Deze poëzievorm is toegankelijk, in onderwerpen én in taalgebruik.

Motivational quotes
Daar zit direct een probleem. Die voorwaarden, eerlijkheid en toegankelijkheid, gelden namelijk ook voor een ander genre: dat van de motivational quote. Het grootste verschil met deze quote van fitnessgoeroe Kayla Itsines lijkt het gebrek aan regelafbraak en de lettergrootte te zijn:

De meeste Instagramgedichten lezen precies als zo’n motiverende quote. Ze zijn herkenbaar, kort en krachtig, en niet al te verrassend. Dat spreekt niet per se voor de literaire kwaliteit van de gedichten zou je zeggen – tenzij de grenzen van ‘literaire kwaliteit’ opgerekt worden. En dat gebeurt door de Instagram poets in ieder geval, volgens Martha Sprackland, redacteur bij Poetry London.

*

Dit artikel is eerder gepubliceerd op Hard//hoofd en hier volledig te lezen.

Vind je eigen tijdcapsule

In de kringloop in mijn buurt, naast de vergeelde kookboeken en de oude reisgidsen, staat een oranje krat tegen de achterwand ‘Foto’s’, staat erop, netjes uitgetypt in Comic Sans MS. In het krat ligt precies wat het opschrift al zegt: een janboel aan oude vakantiefoto’s, portretten, verjaardagskiekjes en reclameplaatjes, soms een heel album. Ik laat de plaatjes het liefst een voor een door mijn handen gaan. Voor vijftig cent ben ik vandaag de bezitter van een familieportret uit 1926. Een elftal mensen staart me streng aan en even later loop ik met de onbekende familie in mijn tas weer naar buiten.

Wie zijn de mensen op de foto? Is die strenge vrouw in de rechterbovenhoek de moeder, of misschien een ongetrouwde tante? Zou er nog iemand leven? En waarom is de foto dan in kringloop beland? Is er een familieruzie uitgebroken? Met de foto in mijn handen kijk ik recht het verleden in. De foto is een persoonlijke tijdscapsule, en op de een of andere manier vind ik dat heel rustgevend – ik kan in geen andere tijd leven dan de mijne, maar relikwieën uit andere tijden zijn wel aanwezig. Niet dat dat verleden nou zo fantastisch is, maar ik waardeer het. Een verleden geeft houvast. Ik voel me iets minder alleen en iets minder belangrijk: alles gaat voorbij, en tegelijkertijd zijn we allemaal met elkaar verbonden.

*

Dit verhaal is in zijn geheel te lezen op Hard//hoofd.

Tussen servet en tafellaken

Voor Hard//hoofd schreef ik een stuk over de ‘lerarenkliklijn’ van Forum voor Democratie.

Forum voor Democratie heeft met zijn lerarenkliklijn het hele land over zich heen gekregen. Leraren hebben het al zo zwaar, en ze hoeven zich niet te verantwoorden over vermeende indoctrinatie, volgens tegenstemmen. Maar hoe zit dat eigenlijk met de leerlingen? Die zijn volgens mij best iets weerbaarder dan we denken.

*

Bij het koffiezetapparaat gaat het de laatste pauzes vaak over indoctrinatie. Niet over hoezeer we daar als docenten tégen zijn, maar meer over hoe we het kunnen bewerkstelligen.
‘Ik laat mijn vwo 4 een stuk uit de Volkskrant lezen,’ zegt een collega. ‘Dat lijkt me een mooi begin.’
‘Ik zou mijn havo 4 wel willen indoctrineren,’ zeg ik. ‘Als zij kritiekloos wat harder gaan werken, worden we daar allemaal beter van.’ Instemmende collega’s, gelach, nog een bak koffie en terug naar de les.
Het is niet zo dat we allemaal zo’n fan zijn van indoctrinatie – het is eerder dat het indoctrineren van een klas met dertig mondige leerlingen nogal ingewikkeld is. Over het meldpunt van Forum voor Democratie zijn al veel dingen gezegd: het onderwijs heeft het al zwaar, het is een belediging van de professionaliteit van docenten en het is een bedreiging voor de veiligheid in het klaslokaal. Allemaal waar, maar wat tot hilariteit in de docentenkamer leidt, is dat niemand het over de leerlingen heeft – als die zo verschrikkelijk goed luisterden zou het beroep wel populairder zijn. En wat mij persoonlijk vooral verbaast is het idee dat een neutrale docent de beste docent is. Dat heeft maar weinig te maken met wat er in een klaslokaal gebeurt.

*

Lees hier het volledige artikel op Hard//hoofd.

Filmtrialoog

Voor Hard//hoofd deed ik mee aan de filmtrialoog. Daarvoor keek ik een horrorfilm, Us, de nieuwe film van Jordan Peele. Normaal gesproken ben ik niet zo van de horror, maar deze film zou ik iedereen aanraden. Nou ja, bijna iedereen. In de filmtrialoog leg ik uit waarom.

Raak in een sleur

Hoe moet een mens zijn of haar leven inrichten? Wat moet je elke dag doen om een goede dag te hebben? En wat moet je vooral laten? Hoe doen anderen dat in vredesnaam? Het zijn vragen die me nog al eens bezighouden, vooral op de momenten dat ik opkijk van mijn telefoon en er drie kwartier voorbij is gegaan, of wanneer ik me ‘s ochtends naar mijn werk haast omdat ik te lang in bed ben blijven liggen. Dat moet beter kunnen, denk ik wanneer ik in de toiletten het zweet van mijn bovenlip dep.

Zoals Annie Dillard het verwoordt: ‘How we spend our days is, of course, how we spend our lives.’ Een goede sleur voor jezelf maken betekent een productiever én een gelukkiger leven. Het antwoord op al mijn vragen. Daarom lees ik graag over routines van bekende schrijvers. Of ze nou vroeg of laat opstaan, ’s nachts of ’s middags werken, één ding hebben ze gemeen: ze hebben een manier gevonden om de dingen die ze het belangrijkste vinden in hun dag te passen.

*

Voor Hard//hoofd schreef ik een tip over mijn zoektocht naar sleur en routine. Het volledige artikel is hier te lezen.

Een essay over liefde en robotica

Robots nemen de wereld over. Nee, niet door ons met hun artificiële intelligentie te overmeesteren, maar juist door ons te ondersteunen. De utopie van een wereld waarin humanoids een waardevolle aanvulling zijn op onze menselijke activiteiten komt steeds dichterbij. Sociale robots kunnen uitkomst bieden in de zorg door de eenzaamheid van ouderen te verlichten. In de Volkskrant verscheen onlangs een artikel waarin de mogelijkheid van robotprostituees wordt besproken. En Filosofie Magazine wijdde laatst een nummer aan robotliefde, in samenwerking met de expositie ROBOT LOVE, die belooft: ‘ROBOT LOVE laat je de liefde van robots ervaren.’ Maar kunnen we liefde ervaren van iets wat nep is? En als dat kan, wat zegt dat dan over intimiteit en menselijkheid?

*

Voor Hard//hoofd schreef ik een essay over robots en liefde. Het hele artikel is hier te lezen.

Voed me, straf me

Eten, gezondheid en schuld lijken onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wat je eet zegt niet alleen iets over je gezondheid, maar ook iets over je karakter: dat is ofwel goed en sterk, ofwel slecht en slap. ‘Fit zijn’ is je eigen verantwoordelijkheid, maar dat niet alleen: anderen zullen je daadwerkelijk als béter zien wanneer je gezond bent. Je gezondheid managen is je morele plicht, en wie dat niet doet kan op een flinke portie kritiek rekenen. Eat that.

*

Voor Hard//hoofd schreef ik een artikel over fit zijn, en waarom de ‘fit-hype’ voor een nieuwe kloof in de samenleving zorgt. Lees hier het hele artikel.

Blauw

Afbeeldlng voor Hard//hoofd door Niels Egidius

‘Maar waarom wil je hier dan weg?’
We zitten samen op de bank. Ik peuter aan een draadje dat uit de leuning komt. We hebben de bank vorig jaar samen uitgezocht, vlak nadat we de sleutel van ons huis kregen. Nu zijn de eerste vlekken al te zien: koffie die ik te snel naar mijn mond bracht, chocolade.

Ik zeg nog eens dat ik niet bij je weg wil. Juist niet. Ik wil bij je terugkomen. Weg, dat is alleen maar een voorwaarde voor het terugkeren: de sleutel in het slot steken, de drempel over stappen, de deur achter me dichtslaan en roepen dat ik weer thuis ben. Misschien zal het dan anders voelen. Na weg voelt terug weer goed. Iedereen is na de vakantie blij om thuis te zijn.
‘Dat gevoel, dat net-over-de-drempel-gevoel heb ik nodig,’ zeg ik, ‘voor ik hier niet meer kan zijn.’
Ik gebaar om me heen. De muren van de woonkamer heb ik in een opwelling geel geschilderd. Ik dacht dat het frisser zou lijken. Dat was niet zo. Het geel is te donker, grijzig, alsof de zon net niet door de wolken breekt.
‘Oké,’ zeg jij, maar je haalt je schouders op alsof ik me nog wel zal bedenken.

Meer lezen

Kraaien

De eerste keer doe ik niet open. Het geknerp van het grind waarschuwt me, ik verschuil me in de keuken en wacht tot er niemand meer voor de deur staat. De tweede keer ben ik minder oplettend. Toevallig sta ik in de gang, het oude brood al in mijn handen. Ik zie Harry van twee huizen verder duidelijk door de ruiten, al zit er een grijze, vettige laag over het glas. 

‘Ik kom namens de gemeente,’ zegt Harry.
‘O,’ zeg ik, en ik leg het brood op het gangkastje dat Arnie’s moeder me heeft gegeven nadat zij en ik uit elkaar waren gegaan. Ze vond dat ik te weinig meubels had en noemde het huis ‘net een leeggeroofd mausoleum’.
‘Het is nu toch alweer even geleden,’ zegt Harry. ‘Je weet wel. Het ongeluk.’

Ik zwijg, kijk hem alleen maar aan.
‘In ieder geval moet er iets aan de tuin gebeuren.’ Hij recht zijn rug. ‘We hebben het al eerder gezegd. Dit is geen goed aanzicht voor de buurt.’
‘Het is mijn tuin.’
‘Bij ernstige nalatigheid van het onderhouden van privébezit mag de welstandscommissie een verordening doen.’ Hij benadrukt elk woord. Misschien heeft hij geoefend.
‘En wat houdt dat in?’
‘Dat je wat aan de tuin moet gaan doen. Je ziet zelf toch ook wel…’ Hij aarzelt even, Harry met zijn grijze snor en donkerblauwe pak, alsof hij zich ineens afvraagt of hij zijn tijd hier niet verdoet en beter kan weglopen.
‘Je ziet toch zelf ook wel dat dit er niet uitziet. Huur een tuinman, iemand om de rommel op te ruimen.’
Ik wil de deur dichtdoen, maar Harry zet zijn voet op de drempel. Hij is gestuurd, realiseer ik me, hij kan nu niet zomaar weglopen.
‘Ik ben niet de enige die dit vindt. We ergeren ons al maanden aan de zwarte zooi. Ruim het gewoon op. Dat is alles. Je hoeft echt geen kunstwerk van je tuin te maken, als die rotzooi maar weg is. Net als die verdomde kraaien. Ze schijten alles onder.’
‘Oké.’
Ze moeten dit besproken hebben. Ik heb ze zien kijken, de laatste weken. Janet met haar kinderwagen, die zucht als ze langs de voortuin loopt. Ina die hoofdschuddend langsloopt. En dan degenen van wie ik de namen nooit heb geleerd – ze laten hun blik over het huis glijden en hun gezicht vertrekt. Ik kan me voorstellen hoe ze dit hebben besproken, tijdens verjaardagen en de jaarlijkse buurtbarbecue: ‘Er moet nu toch echt iets gebeuren.’ Harry die zich opoffert voor de goede zaak.
‘Ik meen het. Je kan een boete krijgen.’
‘Oké,’ zeg ik weer. Nu doe ik de deur wel dicht, duw het hout tegen zijn leren Oxfords. Die droeg ik zelf ook toen ik nog een baan had.
Wanneer Harry zich omdraait kijk ik naar de kraaien. Een zwartgevederde familie in een grijsgeblakerde boom.

*

Het volledige verhaal ‘Kraaien’ is te lezen op de site van literair tijdschrift Revisor.

 

 

 

Jeuk

De FusieAan mijn gezicht is niets te zien – niets dan de rode striemen die ik er zelf op heb gekrast. Het tl-licht vergroot het rood nog eens uit, maar zelfs in normaal licht kan ik de lijnen over mijn schedel zien lopen. Uitgekerfde paden, af en toe een korst en een aantal open wondjes.

Een tijd geleden heb ik me volledig kaalgeschoren, om er vanaf te zijn. Ik scheerde mijn benen, mijn armen, de delen van mijn rug waar ik nog net bij kon, mijn schaamhaar. Luizen, dacht ik eerst. Huisstofmijt. Vlooien, eventueel. Nadat ik de lokken hoofdhaar op de grond zag vallen – vaalgrijze plukken op de zwarte tegels – had ik het gevoel ergens van bevrijd te zijn. Ik ging met mijn hand over mijn schedel, glad en zacht als babyhuid. Ik zag eruit zoals die mensen uit de cocons in de Matrix: een week, nat, naakt lijf. De rode lijnen waren over mijn hele lichaam te zien, maar ondanks dat voelde ik me herboren.
Het duurde dertig seconden voordat het weer begon. De jeuk.

Met de punt van mijn nagel boor ik in het vel van mijn voorhoofd en zet een kruisje. Mijn moeder vertelde me vroeger dat je dat met muggenbulten moest doen: kruisjes erin zetten, zodat de kriebel voorbijging. Ik heb het geprobeerd, heb avonden lang alleen maar kruisjes in mijn huid gezet met mijn nagels, later ook met een keukenmes.

Zalf heb ik geprobeerd. Meditatie. Krabben, juist niet krabben. Mentholpoeder, yoghurt, azijn, amandelolie. Toen bleek dat het allemaal niet werkte, gebruikte ik ijs om de prikkeling te verzachten. Het hielp even, tot het ijs voor blaren zorgde. Ook die begonnen weer te jeuken.

Ik pak de scalpel die ik uit het laboratorium heb meegenomen en kijk aandachtig in de spiegel. Voorzichtig snijd ik in het vel, tot ik het bloed uit mijn voorhoofd zie opwellen.

Ik ben altijd zorgvuldig geweest. Na elke proef was ik mijn handen en reinig ik mijn bureau met alcohol. Anders dan mijn collega’s controleer ik me na iedere vorm van veldwerk zorgvuldig op teken. Als ik zie hoe zij dat doen – snel, losjes, als er nergens een zwart stipje zit is het goed – verbaas ik me erover dat niemand Lyme heeft opgelopen.

*

Dit volledige verhaal is te lezen op de site van De Fusie.

Part of the experience

Illustratie door Annelien Smet voor Hard//hoofd

Illustratie door Annelien Smet voor Hard//hoofd

Een hand op zijn schouder duwt Aron richting de deur. ‘Let’s get some drinks!’ Een van de gasten met wie hij staat te praten loodst hem mee de kroeg in. Ze zijn een vriendengroep, aan hun tattoos te zien waarschijnlijk hooligans van de plaatselijke voetbalclub.
‘Thanks,’ zegt Aron, al weet hij niet precies waarom. Hij probeert niet te dankbaar te zijn voor hun aandacht.

De kroeg ziet eruit alsof er sinds de jaren ’70 niks aan het interieur is veranderd. Zijn ogen moeten wennen aan het schemerdonker, maar ook dan is er weinig te zien. Donkere meubels, een discolamp in de hoek, bakstenen muur, een paar gasten bij de pooltafel.
Aron gaat op een barkruk zitten en bestelt een biertje. De barman wijst naar de flessen sterk, maar hij schudt zijn hoofd. Zijn geld is nog niet helemaal op, maar hij kan beter rustig aan doen. Acht maanden geleden is hij uit Amsterdam weggegaan. Hij zou de wereld ontdekken, alleen.

Hij neemt een slok en glimlacht naar een meisje dat in de hoek van de ruimte staat en de jongens lijkt te kennen. Ze heeft witblond haar dat in de donkere kroeg lijkt op te lichten. Engelachtig, wanneer je je ogen een klein beetje dichtknijpt. Ze doet hem denken aan Sanne van zijn middelbare school: mooi, maar na twee jaar boulimia net een porseleinen spook. In de vierde hadden ze voor het eerst met elkaar gezoend, daarna deden ze dat op elk schoolfeest tot zij in de zesde een vriendje kreeg.

Hij begon in Azië, maakte foto’s bij oude tempels, witte stranden, azuurblauw water. In eerste instantie dacht hij dat hij nooit meer weg zou gaan. Daarna begon het hem, bijna plotseling, te ergeren hoe iedere tempel leek op de vorige. Hij vertrok en reisde via Rusland naar Oost-Europa. Nu vraagt hij zich af of hij ook niet Australië had moeten zien. Japan. Zuid-Amerika.
Het groepje jongens – te veel gel, strakke shirts – loopt naar de pooltafel. Voordat Aron opstaat kijkt het meisje nog een keer zijn kant op. Hij heft zijn glas. Misschien is Letland zo gek nog niet.

Ze vraagt waar hij vandaan komt en hij vertelt over Amsterdam. Zijn vrienden, zijn voormalige studie, de familie in Haarlem. Dan over zijn reis. Hij merkt dat het hem nu al moeite kost om de woorden te vinden.
‘Het was heel bijzonder,’ zegt hij, en: ‘Ik heb onderweg goede vrienden gemaakt’. De meesten van hen waren in Bangkok gebleven. Hij vraagt zich af of ze nog weten hoe hij heet.
Misschien had hij te veel verwacht. Dat bij nieuwe plaatsen ook een nieuwe Aron zou horen, een nieuwe versie van hemzelf. Gespierder, bruiner, relaxter. De rest van zijn leven zou zich in een onwaarschijnlijke helderheid aan hem openbaren. Hij zou ergens een baan vinden, een bestaan opbouwen – een spannend leven op een spannende plaats. Misschien zou hij zelfs verliefd worden.
Niets daarvan gebeurde. Hij is alleen, in Riga, zonder plan, met slechts de dagen die hem als zwarte gaten lijken op te slokken. Afdruipen naar Amsterdam is geen optie, net als verder reizen ­– niet met wat er nu nog over is. Letland als limbo. Hij blijft er wachten tot er iets gebeurt.
Hij kijkt naar het meisje. ‘What about you?’

Hij is alleen, in Riga, zonder plan, met slechts de dagen die hem als zwarte gaten lijken op te slokken.

Ze haalt haar schouders op, lacht. Haar tanden zijn gelig, zelfs in het weinige licht van de bar. ‘Niets interessants.’
Hij gelooft haar direct. ‘Wensen dan? Dromen?’ Ze haalt weer haar schouders op, grinnikt, alsof alles wat hij zegt een grap is. Hij lacht mee en merkt dat hij al behoorlijk aangeschoten is.
‘Ik heb hier alles wat ik me kan wensen.’ Ze kijkt hem intens aan, en even – heel even – vraagt hij zich af of ze soms een prostituee is. Tegelijkertijd weet hij dat het hem niet kan schelen. Hij legt een hand op haar bovenbeen. Zij laat hem daar liggen.

*

Het volledige verhaal is te lezen op de site van Hard//hoofd.

Ogen dicht

schermafbeelding-2016-11-02-om-18-00-24

Peter moest in eerste instantie wennen aan het idee. ‘Sem en Julia hebben je graag in de buurt,’ zei hij. ‘Ze moeten hun Nederlands bijhouden.’ Soms zei hij: ‘Ik dacht dat je het fijn vond dat je nu niet meer zo druk bent.’

De maanden hiervoor waren inderdaad rustig geweest. Ellen ging met Sem en Julia naar de Eiffeltoren. Wanneer zij naar de kleuterschool waren bezocht ze het Louvre, kocht ze boeken als A Moveable Feast, liep ze de Marché des Enfants-Rouges af om daar eten te kopen. Zo lekker Frans. Ze moest gewoon wennen aan het leven als expat, als huismoeder. Als hobbyvrouw.

Het lukte niet.

Nu doet ze de deur open voor de nanny en ziet hoe Julia zich direct in haar armen stort.

‘Daar ben je,’ zegt Julia. Er is nog een traanspoor zichtbaar op haar wang.

‘Goedemorgen,’ antwoordt Maria in gebroken Nederlands en ze haalt haar vingers door Julia’s krullen. Maria’s eigen haar begint al grijs te worden: over het zwart zit een asgrauwe gloed. Een tijdje geleden vond Ellen dat nog vertrouwd, had ze telkens de neiging om het aan te raken. Maria als de moeder die ze zelf af en toe nog nodig had.

‘Ik heb ze vanochtend al aangekleed,’ zegt Ellen.

‘Maar ik wil dit niet,’ zegt Julia, terwijl ze aan haar T-shirt plukt. ‘Ik wil mijn jurk.’ Ze pruilt en ziet eruit alsof ze elk moment weer kan gaan huilen.

‘Vandaag niet,’ zegt Ellen. Ze glimlacht naar Maria. Een blik van verstandhouding, hoopt ze.

‘Sem is ook al helemaal klaar. Je hoeft alleen nog brood te smeren voor de lunch.’

Sem zit bij zijn legobouwwerk. Hij kijkt even op bij het horen van zijn naam, maar gaat dan rustig verder.

Ellen pakt haar sleutels en tas van tafel. Het is een Louis Vuitton. Peter heeft het altijd onzin gevonden om veel geld uit te geven aan spullen. Hij vindt het nog steeds onzin, maar nu kan ze haar eigen geld uitgeven.

Ze loopt naar Sem toe om hem een kus te geven en kan het niet laten om even door zijn piekerige blonde haar te vegen. Hij krimpt meteen ineen. Als Ellen met getuite lippen voor haar staat geeft ook Julia haar een kus, maar niet van harte.

‘Lief zijn, jullie,’ zegt Ellen voor de deur achter zich dichttrekt. Ze bedoelt de kinderen, maar kijkt onwillekeurig naar Maria.

*

Het volledige verhaal (inclusief volledige illustratie) is te lezen op de site van Passionate Platform.

De klassieke methode

schermafbeelding-2016-10-08-om-13-05-15

Een verhaal van mij mocht in de nieuwste De Titaan. Het verhaal is hier te lezen (in pdf-formaat).  De hele De Titaan is uiteraard nog veel meer de moeite waard, te verkrijgen bij de betere boekhandel of online te bestellen.

 

 

 

Mooie Woorden in de Hofman

Vorige week mocht ik optreden bij Mooie Woorden in de Hofman. Dat optreden hield in dit geval in dat ik voorlas, uit een rood boekje dat precies bij mijn jurk paste.

Bewijs.

Bewijs.

Ik was natuurlijk niet de enige gast, en mocht luisteren naar de fantastische Daan Windhorst, Jesse Laport en Gijs ter Haar.

Als je er niet was, heb je dus heel wat gemist. Mocht je nou benieuwd zijn wat ik heb voorgelezen: die tekst verschijnt binnenkort in de Titaan.

Zomerleesvoer

27906526021_0f6c563a66

De zomer is dé tijd om meer te lezen, en blijkbaar ook om te schrijven. De verhalen ‘Remmen, alarm slaan, wegkijken’ en ‘Pony’s kammen’ staan nu online bij De Bonte Avond en Tijdschrift Ei. Alleen te lezen op scherm, dus ideaal voor die druilerige dagen.

Frontaal #9

13217287_1154658234584660_4436635796550819363_o

Deze zondag mocht ik optreden bij het Rotterdamse letterenpodium Frontaal.

Wat je gemist hebt: optredens van dichters Lotte Dodion en Joost Oomen, fragmenten uit de  nieuwe roman van Roos van Rijswijk, woordkunst van Christopher Blok, de verhalende gedichten van Tjitske Jansen en een kort verhaal van mij. Gelukkig hebben we de foto’s nog (credits naar Purdey van Dijke).

13064649_1159344047449412_2757293138081289893_o 13217093_1159343960782754_786305147714833748_o

Geluk als schoolvak

banner-facebook-geluk2-01-500x186Aanstaande donderdag mag ik bij de filosofische talkshow De Idee iets komen vertellen over geluk in het onderwijs. Daarnaast schreef ik een artikel over geluk, en waarom het belangrijk is om daar met leerlingen over te praten. Het artikel is hieronder te lezen, of hier op de website van deFusie.

___

Hoe de middelbare school werkt is voor iedereen die het traject heeft doorlopen wel duidelijk. De school moet je voorbereiden op een vervolgopleiding en, iets abstracter, op de arbeidsmarkt. Maar op school wordt weinig aandacht besteed aan waaróm leerlingen leren wat ze leren. Wat als je die opleiding glansrijk hebt doorlopen, wat als je die goedbetaalde baan hebt gekregen? Ben je dan klaar, of pas echt geslaagd?

De cijfers over depressie laten zien dat die conclusie te snel getrokken is. Uit een recent onderzoek van het CBS blijkt dat een miljoen Nederlanders depressief is, of depressief is geweest. In 2030 zal depressie wereldwijd tot de top drie van aandoeningen met de grootste ziektelast  behoren. ‘Geslaagd zijn’ garandeert geen geluk.

Meer lezen

Een makkelijk kind

Een makkelijk kind

Twee studentes die op een afgelegen villa moeten passen en een kind dat verdwenen blijkt te zijn. Met zo’n premisse verwacht je een spannend verhaal – en spannend wordt het, in Een makkelijk kind. Mireille Geus gaat echter niet voor de gemakkelijke sensatie. Een thriller is het niet, wel een zorgvuldig opgebouwd debuut waarin veel op het spel staat.

Eerst iets over het ‘debuut’: het is een wat problematische term om de roman mee te omschrijven. Geus heeft namelijk meer dan twintig jeugdboeken op haar naam staan en sleepte onder meer een Gouden Griffel in de wacht voor een van die romans. Het gaat hier dus om haar debuut voor een volwassen publiek – dat Geus kan schrijven is inmiddels wel duidelijk. Interessant is dat haar hoofdpersonages nog steeds jong zijn. In het boek staan twee studentes en hun vriendschap centraal.

Meer lezen

Marterjong

Schermafbeelding 2016-04-07 om 13.08.53

De marter is verdomd voorzichtig. Twee keer heeft ze haar kop uit de boomholte gestoken en hem een blik gegund op haar gele hals, alsof ze net door een veld paardenbloemen is gerend. Ze is nog niet in het zicht van de camera geweest.
Jonathan zit verder van de boomholte af dan gisteren. De marter heeft jongen, misschien dat ze daarom niet uit haar hol komt. De camera heeft hij op dezelfde plek geplaatst, hij wil haar het liefst in beeld brengen wanneer ze met een prooi aankomt, maar zijn deadline is over twee dagen: een foto van alleen de marter – als ze ooit uit haar hol komt – is goed genoeg.
Met de ontspanner in zijn handen wacht hij.

___

Het verhaal Marterjong, met prachtige illustratie van Renske van Enckevoort staat nu op de site van De Optimist. Hier is het hele verhaal te lezen.

Literatuurtip

Voor het Algemeen Nijmeegs Studentenblad selecteerde ik de Literatuurtip(s) voor de maand april. Lastig, want ik mocht maar drie boeken kiezen. Uiteindelijk bleek ik vooral een lans te willen breken voor het korte verhaal – en (uiteraard) voor Munro en Minco.

Welke boeken ik koos en waarom is hier te lezen.

Lustrumtekst

Redacteur Maaike Pleging van Op Ruwe Planken koos voor het lustrumjaar van het tijdschrift haar favoriete tekst, en dat was ‘Vitamines’ van ondergetekende. Ze noemt het ‘een ontroerend verhaal over een jonge vrouw met paniekaanvallen’. Extreem trots natuurlijk, en een bonus: het hele verhaal (met aanbeveling) is nu hier online te lezen.

Een bruin colbertje

Voor Write Now! schreef ik een column. Over schrijven. Hij is hier te lezen op de site van Write Now!, maar als je niet door wilt klikken kan je hem hieronder vinden.

___

‘Don’t be a writer, be writing’ is een van mijn favoriete uitspraken, van schrijver Charles Bukowski. Het klinkt prachtig, maar jarenlang had ik geen idee wat hij ermee bedoelde. Want laten we wel wezen: schrijvers, dat zijn die gemankeerde, getormenteerde zielen die je in een café ziet zitten met een glas wijn en een notitieboek. 

Ze dragen bruine colbertjes en leren de kunst voornamelijk door te veel te drinken en Dostojewski te lezen. Denk aan Hemingway: ‘write drunk, edit sober’. Waarom zou je dat niet letterlijk nemen? Daarnaast worden schrijvers niet alleen gepijnigd door het schrijven: ze worden gepijnigd door het leven. Een beetje roken en snuiven om de dag door te komen is pure noodzaak.

Voor de jonge, ongekwelde talenten die nu beginnen te sputteren bij het idee: ook Kurt Vonnegut was zich van dit stereotype schrijversbeeld bewust. Tot de jaren 60 was Vonnegut fris geschoren, kort gekapt en netjes gekleed. Maar nadat hij twintig jaar aan Slaughterhouse Five had gewerkt, wilde hij niet zomaar een auteursfoto op de achterflap zetten. Hij vreesde dat zijn Harvardstijl de culturele elite niet aan zou staan. Dus liet Vonnegut een snor staan, verloor hij een aantal kilo’s en veranderde zijn korte kapsel in een gigantische bos krullen. Hij wilde eruitzien als ‘an author who was in.’ Het lukte: Slaughterhouse Five werd een bestseller en de warrige haardos van Vonnegut is niet meer weg te denken uit de literaire wereld. Dat het daarnaast resulteerde in een identiteitscrisis en depressie – in het licht van zijn gewenste schrijversimago was dat natuurlijk mooi meegenomen.

Mijn probleem is dat ik weinig talent heb voor zowel dramatiek als zelfdestructie. Ik heb het geprobeerd: ik heb de helft van dit stuk geschreven in een café, met een glas wijn, terwijl ik zuchtte en steunde. Jarenlang heb ik gedacht dat dit de enige manier was waarop ik ooit een goed verhaal zou kunnen schrijven.
Dat had ik mis.
‘Het lukt niet,’ klaagde ik tegen een vriendin die achter de bar stond. Het was zondagmiddag, meer tijd voor koffie dan voor wijn.
Ze gaf me een kop. ‘Zolang je maar wat op papier zet, toch?’

De wijn, de hoed, het bruine colbertje: al die dingen doen er niet toe. Vonnegut had zich net zo goed kunnen scheren, Hemingway had net zo goed thee kunnen drinken, en ik – ik maak dit stuk af aan de keukentafel. Het enige wat er toe doet is dat de woorden achter elkaar komen te staan, één voor één. ‘Don’t be a writer, be writing.’

Maar daar mag je natuurlijk best moeilijk bij kijken.

Ruis

Schermafbeelding 2015-12-30 om 15.28.42

‘Olivia?’
De stem klinkt hoog en een klein beetje lijzig, alsof iemand haar naam expres te langzaam uitspreekt. Wanneer ze zich omdraait staan er drie vrouwen naar haar te kijken. Ze herkent er maar één en glimlacht.
‘Je bent het echt! God wat leuk, wat toevallig.’
‘Merthe.’ Ze knikt.
‘Ik wist wel dat je het was,’ zegt Merthe. ‘Ik zei het net, als dát Olivia niet is, dan mag je me ter plekke neerschieten. Geen steek veranderd.’
Merthe’s make-up is al een beetje uitgelopen, de corsage op haar jasje verraadt dat ze hier al de hele dag is. Het is geen verrassing. Ze past hier, tussen de bloemen, het champagnekleurige tafellinnen, de mintgroene ballonnen.
‘Nee,’ zegt Olivia. Ze zou nu ‘jij ook niet’ kunnen zeggen, of ‘hoe is het met Derek’, maar er komt niets.
‘Nou,’ zegt Merthe. Het glas wijn in haar hand is bijna leeg. Ze neemt de laatste slok. ‘Wat heb jij dan gedaan? Ben je nog schilderes? Of hoe heet dat, kunstenaar?’
‘Een kunstenaar,’ zegt de vrouw links van Merthe, alsof ze er lang over moet nadenken.
‘Nee hoor, nee.’ Olivia lacht. ‘Alleen voor mezelf, je moet je parels niet voor de zwijnen gooien. Nee, ik geef les.’
‘Oh, kijk, een lerares!’ Merthe zet haar glas weg. ‘Ik heb het altijd al gedacht, je was vroeger al een wijsneus. Vroeger’ – ze praat nu tegen de vrouwen naast haar – ‘vroeger was Olivia de slimste van de klas. Altijd tienen. En altijd verslagen van twintig pagina’s. De básisschool heb ik het dan over, hè.’ Ze lacht. Haar tanden hebben een blauwpaarse gloed.
De vrouw rechts trekt een wenkbrauw omhoog. ‘God, de basisschool. Mijn oudste gaat daar nu heen. De knutselwerkjes die ze moeten doen. Dan is deze juf weer jarig, dan is er weer een feestdag. Je blijft maar opdraven voor schminkklussen en schooluitjes. Je zou bijna zeggen dat ze extra personeel moeten aannemen voor alle activiteiten die ze organiseren.’
‘Maar je wilt ze ook niet naar een privéschool sturen,’ zegt Merthe. Ze grinnikt.
Olivia knikt. Haar jurk knelt bij haar oksels. Als ze haar armen tegen haar lichaam houdt is er niets te zien. ‘Hoe oud is ze nu ook alweer? Je dochter?’
‘Lieke? Lieke is nu zeven. Jij had er toch geen?’
Olivia schudt haar hoofd. ‘Niet aan begonnen.’
‘Nou, van wat ik hoorde is dat maar beter ook.’ Merthe lacht een scheve glimlach. ‘Ik haal nog wat drinken, hoor. Als je ook wat wilt?’
‘Nee, nee dank je.’
Merthe draait zich om, maar niet voordat ze Olivia even in haar schouder knijpt. ‘Je bent altijd al een taaie geweest.’
Wanneer ze zich omdraait voelt Olivia even aan de plek waar Merthe’s hand lag.
Ze bedoelt het goed. Iedereen bedoelt het goed.

____

Het hele verhaal ‘Ruis’ is gepubliceerd op Passionate Platform. Het verhaal, net als de illustratie van Lieke Mulder, is hier te vinden.

Vitamines

Schermafbeelding 2015-12-22 om 17.18.49Het verhaal ‘Vitamines’ werd geplaatst in Op Ruwe Planken 15.1. Op de nummerpresentatie tijdens het Wintertuinfestival mocht ik uit het verhaal voordragen.

Hieronder is een fragment uit het verhaal te lezen. Het hele verhaal is te lezen in het nummer van Op Ruwe Planken.

___

Het is stipt halfnegen als ze de deur opendoet. Een lauwe walm komt haar tegemoet. Het ruikt naar brood, net uit de oven. Ze ruikt ook soep, maar dat kan niet, want Omar verkoopt geen soep.

‘Godelieve,’ zegt hij als ze binnenkomt. Hij lacht. Ze lacht terug, gaat zitten aan het tafeltje in de hoek.

Een glimlach begint aan de binnenkant van je mond. Het enige wat je hoeft te doen is je mondhoeken licht opkrullen en denken aan die glimlach.

‘Hoe is het?’

Hij roept het vanachter de toonbank.

‘Goed,’ zegt ze. Ze zegt altijd ‘goed’.

‘Weer hetzelfde?’ Hij arrangeert de Turkse broden die nog over zijn – het zijn er maar twee.

‘Graag.’

‘Turkse pizza zonder alles.’ Hij grijnst. De eerste keer dat ze hier was vroeg ze van elk ingrediënt waar het vandaan kwam. Was het uit een potje, waar kocht hij de tomaten?

Hij legt de sla en de kaas vast klaar.

‘Je moet meer fruit eten, weet je? Meer groente. Dat is goed voor je. Vitamines.’

Ze reageert niet, maar hij praat rustig door.

‘Je kan niet alleen op pizza leven. Ja, jonge mensen misschien, maar dat is niet goed. Je moet ook eens iets anders. Beetje komkommer, beetje tomaten, beetje saus.’

Om half negen is er nooit iemand bij Alanya. Ze kan de snackbar vanuit haar kamer in de gaten houden. Om half acht komen er nog wel eens mensen binnen, vrouwen die in de stad hebben gewinkeld en nog iets willen eten, zakenmannen op weg naar huis, of gewoon mensen die vergeten zijn om boodschappen te doen, maar om half negen is iedereen weg. Het is te laat voor het avondeten en te vroeg om een snack te halen voor het stappen.

Ze ademt langzaam in en uit, precies zoals haar yogadocente dat altijd doet, en kijkt naar Omar achter de balie. Vanuit haar huis kan ze hem ook zien bewegen. Niet dat ze hem de hele dag in de gaten houdt – het is sowieso lastig om hem helemaal te zien, hij gaat schuil achter het gigantische logo op de ruit.

Toen ze hier net woonde durfde ze hem amper gedag te zeggen. Omar is een grote man, bijna twee meter, met een glad, kaal hoofd. Ze vermeed de snackbar – ze kwam er sowieso nooit. In die tijd at ze alleen gojibessen en quinoazaad.

Omar draait zich om naar de oven en fluit wat. Hij is nooit stil. Ze kijkt naar zijn achterhoofd. Zijn voorhoofd en zijn achterhoofd lijken niet bij elkaar te passen. Hij is glimmend kaal, maar aan de achterkant van zijn hoofd druipt het vel in laagjes zijn nek in. Drie perfect symmetrische rollen, netjes gestapeld.

De rolletjes vertederen haar. Ineens doet de gigantische man haar denken aan een baby die te strak in zijn kleren is gestoken.

Ze rilt als iemand de deur opendoet. Het is een jonge man, blijkbaar heeft hij iets besteld, want Omar heeft een plastic zak voor hem klaarstaan. Wat erin zit kan ze niet zien.

De jongen merkt dat ze kijkt. ‘Hoi,’ zegt hij.

Als ze haar mond opendoet voelt ze haar tong zwaar worden, alsof hij naar haar keel wordt getrokken. Snel kijkt ze weg. In. Uit. Ademhalen zoals haar yogadocente dat doet.

Ze heeft al vier dagen niemand meer gesproken. Niemand behalve Omar.

Kuikens

Met dit verhaal won ik de tweede prijs in de voorronde van Write Now! 2015 in Utrecht. 

‘Voordat we gaan zwemmen vind ik dat we een favoriet moeten kiezen,’ zei Erna terwijl ze een toffee in haar mond stopte.

‘Een favoriet? Hoe bedoel je?’ vroeg Janne terwijl ze ook een snoepje pakte. Ze moest met haar knieën op haar stoel gaan zitten om bij het doosje op tafel te kunnen. Iedere middag om vier uur zette Erna’s moeder het daar neer. Om kwart over vier haalde ze het bakje weg en vroeg ze of we nog wat limonade wilden. Ik hoefde nooit. De limonade bij Erna thuis was waterig. Alleen Charlotte vroeg altijd of ze nog een beetje mocht.

‘Voor volgend jaar,’ zei Erna met volle mond. ‘We moeten toch kiezen bij wie we in de klas willen.’

Janne en Charlotte knikten langzaam en ernstig. Ook ik knikte. Mijn vingers gleden over het tafelkleed, langs de randen van de dikke wol. In ons huis had mijn moeder het waarschijnlijk een tapijt genoemd. Hier lag het over de grote houten tafel.

‘Hoe zullen we elkaar kiezen? Moeten we gewoon iemand noemen?’ vroeg ik.

‘Nee, we doen het met briefjes,’ zei Erna.

‘Dat is wel een goed idee,’ zei Charlotte. ‘Dan leggen we ze op tafel neer en lezen we ze een voor een voor.’

Janne haalde haar schouders op. ‘Prima. Als we daarna gaan zwemmen.’

Erna stond op om papier te pakken en ik nam nog een toffee. Eigenlijk hield ik er niet van. De snoepjes bij Erna thuis waren keihard en als je er lang genoeg op gesabbeld had zodat je ze eindelijk kon doorbijten bleef de helft van de toffee in je kies zitten. Misschien wilde Charlotte daarom altijd meer limonade.

Meer lezen

Kroos

 Dit verhaal ontving een eervolle vermelding in de finale van Write Now! 2015.

Het hek gaat met een schril gepiep open. Het is groen, net als bijna alles hier: de schepjes en de gieters in de rekken naast de ingang, het keurig geknipte gras, de treurwilgen die over het water hangen, de laag waterplanten op de plas zelf. Op zonnige dagen krijg ik er hoofdpijn van.

Daphne ligt vlakbij het water. Het was een nieuwe rij toen ze er werd neergelegd, maar inmiddels is die helemaal opgevuld. Ik moet langs de treurwilgen om bij haar te komen. Ze staan krom langs de kant, als oude vrouwtjes die het gewicht van hun eigen haar niet meer kunnen dragen. Toen ze haar kist lieten zakken moest ik steeds naar die bomen kijken. Wanneer zouden die doodgaan?

Ze ligt in vak H, rij 3, en is de derde van rechts. Er groeit niks op haar graf, we hadden gekozen voor een grote marmeren zerk, geen gedoe. Eerst nam ik nog bloemen mee, maar ik vond het ook niet leuk om die een week later weer weg te moeten gooien. Ze moet het doen met het uitzicht op de wilgen.

Ik veeg een beetje aarde van de zerk en ga zitten. Uit mijn zak haal ik een pakje sigaretten. Langzaam steek ik er eentje aan. De rook blaas ik in haar richting.

‘Alsjeblieft,’ zeg ik en ik klop even op de steen.

Toen ik dertien was gaf Daphne me mijn eerste sigaret, in de achtertuin.

‘Nu ben je oud genoeg,’ zei ze plechtig. Ik stak het staafje in mijn mond.

‘Je moet eraan zuigen als ik hem aansteek.’ Ik knikte en trok zo hevig aan het filter dat ik vrijwel meteen moest kokhalzen.

‘Niet zo hard!’ zei ze.

‘Oké.’ Voorzichtig nam ik een tweede haal.

‘Zo ja,’ zei Daphne en ze stak zelf ook een sigaret op. Ik keek hoe ze hem vasthield – tussen duim en wijsvinger – en deed haar precies na.

‘Heb je nou al een vriendje?’ vroeg ze ineens.

‘Nee-hee,’ deed ik. ‘Hou eens op.’

‘Ik vraag het maar.’ Daphne grinnikte en gaf me een duwtje tegen mijn bovenarm. ‘Komt vanzelf wel joh.’

‘Echt niet,’ zei ik.

Na die eerste keer deden we dat vaker. Tijdens familiefeestjes of verjaardagen glipten we naar de tuin. Daphne vroeg me altijd dingen waar ik niet op wilde antwoorden – wie vond ik leuk, wie was mijn beste vriendin, had ik al eens gezoend – en voor straf jatte ik haar pakje.

Meer lezen

Slaapservice

Vanaf september ben ik met enige regelmaat te horen op de Slaapservice van Opium op 4. Daar lees ik fragmenten uit mijn korte verhalen voor. De stukken zijn hier terug te luisteren.

Schermafbeelding 2016-02-08 om 09.57.25

Slaapservice 4 februari 2016, Opium op 4

Held

Schermafbeelding 2015-12-22 om 16.55.39

Ineens is ze er. Pa heeft niet gebeld of gemaild. Die eerste keer staat ze in de keuken als hij binnenkomst.

‘Ha pa,’ roept Jonas door de open deur. Een licht briesje waait naar binnen, maar het is niet genoeg om de zweetplekken op zijn overhemd te laten verdwijnen.

‘Wat ben je vroeg!’ hoort hij uit de woonkamer. ‘Kom binnen, ik kom eraan.’

Jonas stapt de gang in. Het ruikt anders dan normaal. Hij kan de geur niet helemaal plaatsen – misschien komt het door de warmte – maar pas een half uur nadat hij binnen is realiseert hij zich dat hij schoonmaakmiddel ruikt.

‘Ik heb nog niks besteld, maar ik dacht dat we vanavond misschien sushi konden doen. Of Vietnamees. Even wat anders dan dat eeuwige Chinees.’

‘Nee, nee.’ Die wielen van zijn vaders rolstoel piepen wanneer hij de gang in komt gedraaid. ‘Ik heb wat beters. Wat dacht je van Thais?’

‘Prima.’

Jonas geeft hem een kus op zijn wang. De eerste keer dat hij dat deed hield hij zijn ogen stijf dichtgeklemd – alsof het dan anders zou voelen. De hechtingen hebben streepvormige littekens over zijn vaders gezicht gemaakt en de huid die op zijn hoofd gestikt is heeft ook bulten waar geen hechtdraden hebben gezeten. De lappen vel lijken altijd te roze of te wit. Het gat bij zijn neus laat mensen het meest schrikken: een onverwachte krater in een gebied vol bergen. Inmiddels kan Jonas naar hem kijken zonder hem echt te zien.

Het hele verhaal ‘Held’ is te lezen in Absint #14, 2015.

Alleen met de goden

Alleen met de goden

Trefzeker als een knockout

Alex Boogers is geen auteur die bij het grote publiek veel bekendheid geniet. Dat heeft hem eerder al eens tot het besluit gebracht te stoppen met schrijven: hij vond dat er toch niets mee te verdienen viel omdat zijn boeken te weinig media-aandacht kregen. Boogers heeft zijn belofte niet waar gemaakt, tot groot geluk van de lezer. Alleen met de goden is een juweel van een roman. Boogers zelf noemt zijn coming-of-age-roman het ‘eindboek’ waarmee hij al zijn eerdere thema’s heeft gebundeld. Hopelijk betekent dit niet weer het einde van zijn schrijverschap – want zelfs na vijfhonderd pagina’s van Boogers’ nieuwste roman wil je meer.

In Alleen met de goden is de hoofdrol voor Aaron Bachman. Zijn vader, papa Leeuw, vertelt de jonge Aaron dat hij een leeuwenwelp is. Maar als er een vreemde man dood in de deurenopening ligt is Aarons jeugd als welp in één klap voorbij. Zijn vader belandt in de gevangenis en zijn moeder blijft verbitterd achter met zijn schulden. Aaron weet dat hij moet leren brullen, leren vechten, maar hoe doe je dat als niemand naar je luistert? Hoe ontworstel je je aan een omgeving die je alleen maar naar beneden wil trekken? In de autobiografisch geladen coming-of-age-roman Alleen met de goden doet Alex Boogers verslag van het gevecht van Aaron – zowel letterlijk als figuurlijk. Van een bedeesd jongetje dat gevechten liever vermijdt groeit Aaron op tot een kickbokskampioen. Hij begint met kickboksen zodat hij zijn school kan betalen, ook al zijn de meeste leraren op de mavo hem liever kwijt dan rijk. Alleen muziekleraar Broere ziet iets in Aaron. Als Aaron aan Broere bekent dat hij af en toe schrijft ziet Broere een kunstenaar in hem, maar Aaron zelf vindt die gedachte absurd:

‘Misschien begreep Broere niet dat ik niet van plan was om een verhaal te maken. Mijn vader had het vaak genoeg gezegd: niemand zit op je te wachten, niemand is geïnteresseerd in wat je doet, en je hoeft niet te verwachten dat iemand bereid is om iets voor je te doen. Broere had het over boeken, literatuur, muziek en kunst.

“Ik weet dat je het in je hebt,” zei Broere. “Je verzet je ertegen. Misschien moet je dat opgeven. Laat het los, Bachman. Wat maakt het uit? Je schrijft, en als het niks is, of niks wordt, dan is het niks.”’

Aaron vecht niet alleen tijdens het kickboksen. Hij vecht tegen wat hem al jaren is verteld: dat niemand op hem zit te wachten, dat hij nooit méér zal worden dan een jongetje uit een naamloos gaat. En uiteindelijk vecht Aaron ook voor de liefde: voor de liefde van zijn moeder en de liefde van zijn vriendin Nadine, al blijft het voor Aaron moeilijk om zijn liefde te tonen.

Alleen met de goden bevat ongetwijfeld autobiografische elementen. Net als Aaron Bachman heeft Alex Boogers (let op de initialen) een carrière gemaakt als kickbokser en is hij van een jongetje uit een ‘naamloos gat’ een schrijver, een kunstenaar, geworden. En ook Boogers jeugd verliep niet vlekkeloos: zijn biologische vader heeft hem nooit erkend, zijn pleegvader belandde in de gevangenis. Misschien dat een minder dan perfecte jeugd voor een schrijver inderdaad een geschenk is: Boogers weet van deze tragische gegevens een meesterwerk te maken. De roman wordt nergens sentimenteel, mede te danken aan Boogers’ heldere en nuchtere stijl. Boogers’ schrijven doet denken aan Hemingway:

‘Hemingway vocht met zijn verhaal, met zijn personages, met zijn zinnen    en woorden. Hij smeet ze op papier, ogenschijnlijk achteloos, maar elke keer met de trefzekerheid van een samoerai die met een zwaaiende beweging zijn tegenstander uitschakelt.’

Boogers is, net als in zijn eerdere boeken, recht voor zijn raap, raak, rauw, no-nonsense. Net als Hemingway lijkt hij moeiteloos zijn verhaal op papier te zetten. De personages staan vanaf de eerste pagina als een huis en het lijvige boekwerk blijkt een echte page-turner. Boogers heeft geen spectaculaire gebeurtenissen nodig om de spanning vast te houden: de spanning vloeit direct voort uit zijn krachtige manier van vertellen.

Dat Boogers de aandacht van het grote publiek méér dan verdient weet hij zelf ook, getuige zijn eerdere belofte om het schrijven op te geven. Alleen met de goden bevestigd dit alleen maar: het boek is een potentiële bestseller. De roman laat het beeld zien van een auteur die wel wíl stoppen, maar het niet kan. Zoals Aaron het zegt:

‘Wat ik ’s nachts in mijn schriften schreef, de beelden die zich opdrongen, en die ik moest beschrijven, omdat ze me anders niet met rust lieten, was een vreemde afwijking die ik het liefst wilde verliezen.’

Boogers is zijn afwijking niet kwijtgeraakt. Gelukkig. Hopelijk volgen er meer eindboeken van zijn hand.

Alex Boogers, Alleen met de goden. Uitgeverij Podium, 2015.

Papegaai vloog over de IJssel

Papegaai

Met Papegaai vloog over de IJssel wil  Kader Abdolah ‘een nieuwe vertelling in de Nederlandse literatuur’ brengen, zo valt uit  de achterflap op te maken. En inderdaad, de opzet van dit boek is ambitieus: in de roman laat Abdolah over een langere tijdsperiode veel verschillende personages aan het woord komen, die laten zien hoe de status van migranten en vluchtelingen in Nederland de afgelopen vijfentwintig jaar is veranderd. Hoewel de overdaad aan personages in Papegaai vloog over de IJssel  het plot domineert, voorkomt de warme vertelstem van Abdolah dat het verhaal over de Ijssel vervliegt.

De Iraanse Memed is met zijn dochtertje Tala naar Nederland gevlucht. Niet omdat hij vervolgd wordt in zijn eigen land, maar omdat Tala medische zorg nodig heeft die ze daar niet kan krijgen. Al snel krijgen Memed en Tala een huis aangeboden in het Overijsselse plaatsje Zalk waar ze in het oude kostershuis naast de protestantste kerk kunnen wonen. Memed verricht klusjes in de kerk en weet een baantje te bemachtigen als automonteur. Hij krijgt een relatie met de Nederlandse Catherina en leert steeds meer immigranten kennen. De Syrische kolonel en zijn vrouw, Lina, haar vader Rahimi, Khalid uit Egypte en de twaalf  [niet bij naam genoemde] ‘oude mannen’ worden vaste factoren in zijn leven. Memed ziet al deze mensen komen en probeert hen op te vangen in hun nieuwe omgeving. Langzaam maar zeker vervult hij  een spilfunctie tussen de bewoners van Zalk en de vreemdelingen.

Abdolah put voor dit boek duidelijk uit zijn ervaringen met de streek rondom de IJssel. Vanwege zijn politieke activiteiten moest hij zijn moederland Iran ontvluchten. In 1988 kwam hij in een asielzoekerscentrum in Apeldoorn terecht. Uiteindelijk kreeg hij een huis toegewezen in Zwolle. Ook de roman speelt in de jaren tachtig. Aan de hand van Memed’s verhaal illustreert Abdolah hoe de stroom van asielzoekers toeneemt en de mentaliteit ten opzichte van de nieuwkomers verandert. Hoewel de vreemdelingen in eerste instantie vriendelijk worden ontvangen, wordt de houding van de autochtonen steeds minder welwillend. Elf september is wat dat betreft een omslagpunt:

‘Het was voor het eerst dat de kerkenraad van Zalk constateerde dat de moslims tot in alle gaten en kieren van het dorp waren doorgedrongen. Memed bewaarde de sleutels van de kerk, de moestuin en het huis van Klazien in het dashboardkastje van zijn auto. […] Pas nu had de kerkenraad begrepen dat ze met het bieden van onderdak aan Memed een onherstelbare fout hadden gemaakt.’

Abdolah’s stijl en taal is eenvoudig en daardoor afstandelijk. Zijn simpele zinnen tonen op  onopgesmukte, bijna zakelijke wijze de vervreemding zien die de migranten in Nederland ervaren:

‘Wie voor het eerst een opvangcentrum binnenloopt, schrikt van wat hij te zien krijgt. Een paar honderd vreemde mannen met of zonder baarden, moslimvrouwen in lange rokken, Russische vrouwen in korte rokjes, zwangere Bulgaarse vrouwen, fietsende Mongoolse kinderen, Somalische oorlogsvluchtelingen […] Nederlandse blondines, Hollandse katten en honden, alles loopt er door elkaar heen. Iedereen heeft er een geheim, toch blijft niets geheim in het opvangcentrum.’

Calvinistisch sprookje

Abdolahs sobere stijl past goed bij het thema van het boek en bij het calvinistische Nederland. Tegelijkertijd geeft zijn stijl het verhaal een klassiek karakter mee, de sfeer van een sprookje. Ook binnen het verhaal zijn genoeg sprookjesachtige elementen te herkennen. Abdolah doorspekt zijn tekst met eeuwenoude Perzische vertellingen. De twaalf oude mannen die bij elke belangrijke gebeurtenis hun opwachting maken en de vrouwen die  hun verhalen vertellen aan de IJssel zouden rechtstreeks  uit een sprookje kunnen komen. Daar tegenover stelt Abdolah de beroemde (of legendarische) oer-Hollandse kruidenvrouw ‘Klazien uut Zalk’. Kronieken uit het Midden-Oosten en Nederlandstalige legendes krijgen zo allebei als vanzelfsprekend een plek in Abdolah’s verhaal. East meets West aan de oevers van de IJssel. Zo schrijft Abdolah een verhaal dat zowel een Oosterse vertelling als een typisch Nederlands verhaal is. Deze mix van thema’s en motieven maakt van Papegaai aan de IJssel een uniek boek.

Willekeurig

Toch is  de sterke vertelstijl van Abdolah direct ook zijn zwakte. Want de personages in het verhaal blijven net als sprookjespersonages plat: ze symboliseren allemaal een kant van het vluchtelingendebat, maar ze komen niet echt tot leven. Daarnaast voert hij  zoveel personages op dat het vooral in het begin van de roman zoeken is naar de rode draad. De verhaallijnen die Abdolah introduceert komen weliswaar allemaal bij elkaar, maar Papegaai vloog over de IJssellijkt een zwaartepunt te missen dat alles verbindt. De verschillende perspectieven en personages krijgen zo iets willekeurigs. Dat past weliswaar bij het karakter van het boek, dat het verhaal van ‘de vluchteling in Nederland’ vertelt, maar het maakt vooral in het begin van de roman een rommelige indruk. Ook staan er verschillende slordigheden in het boek: een protestantse kerk heeft geen altaar en de hervormde en gereformeerde kerk worden hier en daar met elkaar verward.

Onweerstaanbaar

Ondanks dergelijke schoonheidsfoutjes blijft Papegaai vloog over de IJssel boeien. In zijn kenmerkende stijl doet Abdolah prachtige observaties:

‘Ze deed nu eigenlijk niets anders wanneer ze tegen de IJssel praatte. Ze vertrouwde haar wensen aan hem toe. Maar de Nederlandse rivier reageerde niet, hij gaf geen teken van   begrip, geen gebaar dat hij haar gehoord had Misschien waren de rivieren in de Lage Landen anders dan de rivieren in de landen waar de zon onophoudelijk scheen.’

Zonder de roman al te zwaar te maken  bespreekt  Abdolah gevoelig thema’s waardoor hij in zijn opzet: een nieuwe klassieker te presenteren bepaald geslaagd kan worden genoemd. De vermenging van Oost en West, bekend en vreemd, sprookje en realiteit maakt van Papegaai vloog over de IJssel een onweerstaanbare roman.

Papegaai vloog over de IJssel, Kader Abdolah. Prometheus, 2014.

Deze recensie verscheen eerder op de website Recensieweb.nl. 

De jaagster

De jaagster

In de roman De jaagster van Pauline de Bok raken twee vrouwenlevens met elkaar verstrengeld. Luise Zingg is de tachtig gepasseerd. In haar oude jachtgebied, op de grens tussen wat vroeger Oost- en West-Duitsland was, blikt ze terug op haar leven. De andere vrouw, de Nederlandse Merel Alvarez, komt juist naar het jachtgebied om een nieuw leven te beginnen – een leven als jaagster. Terwijl Merel zich steeds meer verdiept in de rituelen van de jacht werpt De Bok ethische vragen op: wat is de moraal van het jagen? Door middel van de jacht onderzoekt De Bok ook grotere levensvragen. Bestaat er zoiets als een zinvolle dood? Wie is de jager, en wie de prooi?

De twee vrouwen in De jaagster zitten beiden vast in hun verleden. De oudste, Luise, trekt zich steeds vaker terug in de jachthut van haar oude jachtterrein, om alleen te zijn met haar herinneringen. Die spelen zich voornamelijk af ten tijde van de Koude Oorlog. Luise trok regelmatig de grens tussen Oost- en West-Duitsland over om dubbelspionne te spelen voor de DDR. Dat deed ze vooral voor Peter, de Oost-Duitse soldaat die haar rekruteerde, maar haar liefde nooit beantwoordde.

Ook Merel dwaalt alleen door het natuurgebied. Ze kent het dankzij haar ouders, die er in de jaren tachtig protesteerden tegen de kerncentrale die daar werd neergezet. Na hun overlijden heeft ze er een huisje gehuurd. In de eerste plaats bezoekt ze de plekken waar haar ouders zijn geweest. Ze hoopt door middel van hun activisme haar eigen passiviteit te doorbreken. In plaats daarvan merkt ze dat hun streven haar steeds minder doet:

‘Af en toe laait de strijd over de vraag of de straling onder of boven de norm ligt, weer op. Ik lees het plichtmatig, probeer het me in te prenten, maar dwaal telkens af. Wat doet het er toe? Maar dan hoor ik Dirk weer: natuurlijk is het belangrijk, het gaat om de machinaties van de nucleaire industrie, niet om die paar millisieverts. O ja. Ja. Ja.’

Ze zoekt naar de tekenen van hun protesten, maar uiteindelijk is het de jacht die Merel uit haar passiviteit brengt. Na een ontmoeting met de zonderlinge Luise gooit Merel haar leven radicaal om: ze wordt zelf jaagster. Het jagen geeft Merel de controle over haar leven terug.

Is ethiek maar schijn?

Merel verdiept zich in de ethiek van de jacht, de weidelijkheid, die zaken dicteert als: je schiet nooit een moederzoogdier, of een dier dat drachtig is. Toch laat De Bok zien dat alle ethische zekerheden maar schijn zijn:

‘Opeens steekt mijn adem als een brok in mijn keel: ik heb eergisteren koelbloedig een jong everzwijn van het leven beroofd. Gewoon de trekker overgehaald. Jij hoeft niet langer te leven. Vind ik. Dus ben jij dood. De vraag of ik een moordenaar zou kunnen zijn is minder abstract geworden.’

Goed en kwaad blijven in deze roman steeds grijze gebieden, die per situatie verschillen. De Bok werpt dan ook steeds nieuwe vragen op. Wanneer is geweld gerechtvaardigd? Wat is verraad? Bestaat er wel zoiets als een ‘zinvolle dood’? Hoe verschilt een mens van een dier?  Wie is de jager en wie de prooi?

Ode

Op een knappe manier verbindt De Bok haar kennis van de jacht met haar kennis over Duitsland. Zowel de Tweede Wereldoorlog als de Koude Oorlog worden, zonder het verhaal over te nemen, verwerkt in De jaagster. Maar  in de eerste plaats is dit boek toch een ode aan de jacht. De Bok, die zelf ook haar jachtakte heeft behaald in Duitsland, heeft duidelijk goed om zich heen gekeken. Hoewel het boek  vol staat met natuurbeschrijvingen verliest De Bok zich  niet in de ‘mierzoete idylle’ waar Merel zo’n hekel aan heeft. Haar beschrijving van de natuur is, zoals de rest van haar roman,  eerder grijs dan zwart-wit. Niets is helemaal lieflijk, niets is helemaal gruwelijk.

Toch is De jaagster niet alleen een boek waarin de schoonheid van de jacht wordt bejubeld. Door de natuurbeschrijvingen heen kruipen de ethische vragen naar boven, zonder er al te dik bovenop te liggen. Subtiel zet De Bok de lezer aan tot nadenken. Uiteindelijk laat ze zien dat de jacht in ons allemaal zit – mens en dier. Hoe we daarmee omgaan, dat is bepalend voor wie we zijn, lijkt ze te willen zeggen. Op deze manier is De jaagster niet alleen een ode aan een omstreden vrijetijdsbesteding, maar ook een boek dat de ethiek van leven en dood ter discussie stelt.

Pauline de Bok, De jaagster. Atlas Contact, 2014.

Deze recensie verscheen eerder op de site Recensieweb.nl. 

Interview Mieke Bal

Mieke_Bal-best-c-Bas-Uterwijk

Samen met Levi van der Veur interviewde ik afgelopen zomer de hoogleraar en kunstenaar Mieke Bal. Het interview verscheen in Vooys 32.2.

Op een zonnige vrijdagmorgen arriveren we bij het huis van Mieke Bal dat geheel in art deco stijl is gebouwd. Wanneer ze opendoet, stappen we een grote koele hal met hoge glas-in-loodramen binnen. Er staat een fiets tegen de muur: ze zal na ons interview met haar zoon een tocht van Amsterdam naar Utrecht maken. Mieke Bal is literatuurwetenschapper, videokunstenaar en oprichter van de Amsterdam School of Cultural Analysis (ASCA), waarvan ze tevens vijf jaar directeur was. Tijdens haar academische carrière was ze zowel hoogleraar aan de Universiteit Utrecht (semiotiek en vrouwenstudies) als aan de Universiteit van Amsterdam (literatuurtheorie). Daarnaast was zij de eerste vrouw én de eerste geesteswetenschapper die benoemd werd tot Akademiehoogleraar, een functie die zij van 2005 tot 2010 vervulde. Wij spraken Bal over haar verschillende rollen van wetenschapper en kunstenaar.

Het hele interview is hier online (als pdf) te lezen. 

Foto: Bas Uterwijk

Stikvallei

stikvallei

De avond van 21 augustus 1986 in een vallei in Noord-West Kameroen valt ogenschijnlijk heel normaal. Maar de volgende ochtend blijkt dat in de nacht vrijwel al het leven in de vallei is uitgestorven. Er is geen teken van geweld, de huizen staan er precies zo bij als de dag ervoor. Toch zijn alle dieren en de 1.746 inwoners van het dal die nacht gestorven. Er zijn zelfs geen vliegen meer om om de kadavers heen te zoemen – ook zij zijn dood ter aarde gestort. In zijn journalistieke boek Stikvallei stelt Frank Westerman de voor de hand liggende vraag: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Hij gaat echter verder dan het zoeken naar antwoorden: hij traceert hoe deze anwoorden middels verschillende verhalen rondom de Nyosvallei tot stand komen en zich verspreiden.

Om de verhalen rondom de mysterieuze nacht in de vallei te schetsen heeft Westerman zijn boek ingedeeld in drie delen: Mythedoders, Mythebrengers en Mythemakers. In het eerste deel van zijn roman pluist hij de intrige uit die werd gesponnen door de verschillende geologen die zich direct na de ramp in de Nyos-vallei waagden. Hazoun Tazieff, een bekende Franse vulkanoloog, heeft zijn verklaring direct paraat: de mensen in de vallei zijn gestikt in een wolk koolstofdioxide. Zijn rivaal Harald Sigurdsson meent echter dat het om een nog niet eerder beschreven natuurverschijnsel gaat, dat niets met de vulkanologie te maken heeft. De twee wetenschappelijke opvattingen vormen al snel eigen kampen. Westerman beschrijft het academische gekonkel met verve, maar aan het einde van de dag biedt deze ontwikkeling geen oplossing. Zelfs nu, vijfentwintig jaar na dato, is deze wetenschappelijke strijd onbeslist.

Het duiden van de wereld

Maar Westerman is niet slechts op zoek naar de wetenschappelijke interpretatie van de feiten – het is in zijn optiek slechts één vorm van duiding. Aan de basis van zijn roman ligt echter zijn verwondering over de manieren waarop mensen verschillende verhalen gebruiken om zin te geven:

‘Gaat het om levensvragen, dan vertrouwt het gros van de wereldbevolking liever op fictie dan op feiten. Mensen zijn dieren die elkaar verhalen vertellen; we spelden elkaar aan de lopende band verzonnen geschiedenissen op de mouw waar we, indien niet letterlijk geloof, toch op zijn minst betekenis aan hechten. Alsof we onszelf vrijwillig kooien in het traliewerk van zelfbedachte verhalen.’

Westerman verlaat de wetenschap in het tweede deel van de roman en laat de katholieke paters in het gebied aan het woord. Deze paters zijn de volgende ochtend als eerste ter plaatse. Zij gieten de ramp in het Nyos-dal in een heel ander verhaal en verspreiden dit onder de bevolking. Net als in het eerste deel van de roman volgen de intriges elkaar in hoog tempo op, maar de grote hoeveelheid namen die voorbij komt maakt het lastig om het verhaal te blijven volgen. Welke pater hoorde ook alweer waarbij? Daar staat tegenover dat Westerman de belangen van de paters, de bevolking en de geologen scherp naast elkaar weet te zetten. Heeft Father Fred gelijk, als hij vindt dat de vulkanologen ‘hun contact met de werkelijkheid verloren zijn’? Maken de katholieke paters zelf misbruik van de kwetsbare positie van de bevolking?

Onder die bevolking zelf doen weer andere verhalen de ronde. De inwoners van Kameroen vragen niet naar het ‘hoe’, maar naar het ‘waarom’ van de Nyos-ramp. Dat ‘waarom’ lijkt zo nu en dan groteske vormen aan te nemen; zo gelooft een deel van de bewoners dat de ramp voortgekomen is uit een oefening van het Israëlische leger. Maar waarom eigenlijk ook niet? Andere sinistere verhalen die de ronde doen blijken na wat onderzoek van de schrijver ook niet uit de duim gezogen. En tot slot is er de ontstaansmythe van de vallei: zou het pythonei op de bodem van het Nyosmeer kapot zijn geslagen?

Literaire journalistiek

Deze wonderlijke brij aan verhalen weet Westerman in Stikvallei tot een prachtig geheel te weven. Hoewel de hoeveelheid informatie en namen het soms moeilijk maakt om het verhaal te volgen, blijft Westerman boeien met de verschillende perspectieven op de ramp die hij in het boek presenteert. Westerman schrijft feitelijk, maar maakt tegelijkertijd gebruik van metaforen en vergelijkingen. Dat levert mooie passages op:

‘Pas dan zien we de wevers. Geel-met-zwarte vogels die schijnbaar zorgeloos af en aan vliegen naar een boomtak die zich boven het meer uitstrekt. Aan de tak hangt een hele verzameling van misschien wel de mooiste bouwwerken die dieren kunnen voortbrengen: tere, in de wind wiegende bollen, gevlochten van verse grassprieten. Het zijn net lampionnen, frisgroen en bruisend van het leven – bungelend op nog geen twee meter boven het Nyos-water.’

Met Stikvallei heeft Westerman zowel een journalistiek als een literair boek geschreven. Het ‘traliewerk van zelfbedachte verhalen’ onthult hij op ingenieuze wijze. Dat Westerman zijn einde openlaat maakt deze naast elkaar geplaatste verhalen des te sterker. Stikvallei is niet alleen een document over een bizarre ramp: het is een boek waarin de kronkels van de mythevorming nauwkeurig worden weergegeven.

Frank Westerman, Stikvallei. Uitgeverij De Bezige Bij, 2013.

Deze recensie verscheen eerder op de site Recensieweb.nl.